Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3581

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-10-2015
Datum publicatie
19-10-2015
Zaaknummer
14/920 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de door de verzekeringsarts b&b vastgestelde en in de FML neergelegde beperkingen van appellante betreffende haar arbeidsmogelijkheden op 1 januari 2013. Met de klachten die appellant heeft a.g.v. de ziekte van Crohn is voldoende rekening gehouden, onder andere aantal te werken uren gesteld op maximaal 4 uur/dag en 20 uur per week. In hoger beroep geen medische gegevens overgelegd, die aanleiding geven voor twijfel aan medische standpunt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/920 WIA

Datum uitspraak: 16 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 6 januari 2014, 13/1638 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante is door mr. J.J. Bakker hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2015. Voor appellante is

mr. Bakker verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

W.J.M.H. Lagerwaard.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is uitgevallen voor haar werkzaamheden van verzorgende C in de thuiszorg voor 16 uur per week in verband met darmklachten, voortvloeiend uit de ziekte van Crohn/infectious bowel disease (IBD) met fistelvorming en stenosering. Bij beslissing op bezwaar van 28 december 2006 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van

18 september 2006 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De mate van arbeidsongeschikt is daarbij op medische gronden vastgesteld op 80 tot 100%.

1.2.

Bij besluit van 27 juli 2007 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van

18 september 2007 geen recht meer heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering, maar op een WGA-loonaanvullings-uitkering. Daarbij is de mate van haar arbeidsongeschiktheid ongewijzigd vastgesteld op 80 tot 100%.

1.3.

Bij besluit van 30 oktober 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 1 januari 2013 geen recht meer heeft op een WIA-uitkering op de grond dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder is dan 35%. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 16 april 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Dit besluit is gebaseerd op rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek door het Uwv op een zorgvuldige wijze en conform de daaraan te stellen eisen heeft plaatsgevonden. In zo’n geval mag het Uwv afgaan op de bevindingen van de door hem ingeschakelde verzekeringsarts (bezwaar en beroep). De rechtbank heeft geen reden om aan te nemen dat de mogelijkheden en beperkingen van appellante op onjuiste wijze in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 5 maart 2013 zijn vastgelegd. De rechtbank heeft daarbij van belang geacht dat appellante geen medische gegevens heeft ingebracht die twijfel wekken over de correctheid van deze vaststelling. Het door appellante ingezonden artikel met algemene informatie over IBD en gewrichtspijn is daarvoor onvoldoende. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd heeft toegelicht dat appellante in medisch opzicht geschikt is voor de aan haar voorgehouden voorbeeldfuncties.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij als gevolg van de ziekte van Crohn ernstige gewrichtspijn heeft die niet gepaard gaat met ontstekingen in de gewrichten. Ter onderbouwing hiervan heeft appellante gewezen op het reeds in beroep ingezonden artikel over IBD van maag-, darm-, en leverspecialist A. van der Meulen. Appellante heeft gesteld dat zij verdergaande beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen. Dit blijkt volgens haar uit een rapport van de door haar ingeschakelde verzekeringsarts W.M. van der Boog, dat in bezwaar is overgelegd. Door haar klachten heeft appellante moeite op

micro- en mesoniveau te functioneren. Zij heeft een laag werktempo en heeft na elke bezigheid tijd nodig om te herstellen. Naar de mening van appellante is zij geen reëel aanbod voor de arbeidsmarkt en kan van een werkgever niet worden gevergd haar in bepaalde arbeid te werk te stellen. Appellante heeft verzocht om een deskundige in te schakelen.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4.1.

Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

4.2.

De hoger beroepsgronden zijn van medische aard en vormen in essentie een herhaling van de gronden die appellante in eerste aanleg heeft aangevoerd. De rechtbank heeft die gronden terecht verworpen.

4.3.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgestelde en in de FML neergelegde beperkingen van appellante betreffende haar arbeidsmogelijkheden op

1 januari 2013. De overwegingen van de rechtbank worden onderschreven. Zoals uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 5 maart 2013 blijkt, is rekening gehouden met de vermoeidheids- en gewrichtsklachten die appellante als gevolg van de ziekte van Crohn heeft. Het aantal te werken uren is op energetische gronden teruggebracht naar maximaal vier uur per dag en 20 uur per week. Voorts is appellante beperkt in de belastbaarheid van haar gewrichten. In dat verband zijn beperkingen gesteld voor

hand- en vingergebruik, bestaande uit knijp- en grijpkracht en repetitieve bewegingen. Uit de verkregen informatie van de behandelend reumatoloog van 1 maart 2013 blijkt dat appellante er op gewezen is dat bewegen belangrijk is en dat gezocht moet worden naar een evenwicht tussen belasting en belastbaarheid. Met de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 5 maart 2013 en 4 juli 2013 is toereikend gemotiveerd dat met de klachten voortvloeiende uit de ziekte van Crohn voldoende rekening is gehouden. Niet gebleken is van een medische noodzaak of medische indicatie om overdag rustmomenten in te bouwen in verband met de gewrichtsklachten. Evenmin zijn objectiveerbare medische gegevens voorhanden om verdergaande beperkingen in verband met de gewrichtsklachten aan te nemen.

4.4.

Ook in hoger beroep heeft appellante geen medische gegevens overgelegd, die aanleiding geven voor twijfel aan de juistheid van de uitkomsten van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek waaronder de opgestelde FML van 3 maart 2013. Er bestaat dan ook geen aanleiding om een onafhankelijk medisch onderzoek in te doen stellen.

4.5.

Evenmin heeft appellante onderbouwd dat de ziekte van Crohn een daaraan te relateren ziekteverzuim kent dat een dusdanige omvang heeft dat van een werkgever in redelijkheid niet kan worden verlangd appellante in bepaalde arbeid te werk te stellen.

4.6.

Ingevolge vaste rechtspraak (uitspraak van 22 mei 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI5961), dienen andere dan medische aspecten, waaronder huishoudelijke taken en opvoeding en verzorging van kinderen, bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid in het kader van de Wet WIA buiten beschouwing te blijven.

4.7.

Uitgaande van de juistheid van de voor appellante vastgestelde beperkingen, moet het oordeel van de rechtbank worden onderschreven dat de aan appellante voorgehouden voorbeeldfuncties in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn en deze functies aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd mochten worden. Het Uwv heeft de geschiktheid van deze voorbeeldfuncties voor appellante in onderdeel C van het arbeidskundige rapport van

8 april 2013 afdoende toegelicht.

4.8.

Gelet op hetgeen in 4.1 tot en met 4.7 is overwogen, slaagt het hoger beroep niet. Daarom moet het door appellante gedane verzoek om schadevergoeding, bestaande uit de wettelijke rente, worden afgewezen. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek tot veroordeling van het Uwv tot vergoeding van de wettelijke rente af.

Deze uitspraak is gedaan door P.H. Banda, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2015.

(getekend) P.H. Banda

(getekend) M.S.E.S. Umans

AP