Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3579

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-10-2015
Datum publicatie
19-10-2015
Zaaknummer
13/4106 AWBZ
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:5307, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het intrekken of ten nadele van de subsidieontvanger wijzigen van een pgb ogv artikel 4:48, eerste lid, van de Awb, houdt een discretionaire bevoegdheid in. Belangenafweging door het Zorgkantoor. Dat appellant aanvankelijke geen zorg in natura wenste, maakt niet dat het Zorgkantoor ten tijde van het bestreden besluit in redelijkheid niet tot de intrekking van het pgb had kunnen overgaan. De verklaringen van de huisarts en de behandelend psychiater van appellant maken dit niet anders. De inspanningen Van [M.] dateren van ruimschoots na het besluit op bezwaar van 20 december 2012. Er is niet gebleken dat zorg in natura niet mogelijk was.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:4
Algemene wet bestuursrecht 4:48
Regeling subsidies AWBZ
Regeling subsidies AWBZ 2.6.12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2015/391
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/4106 AWBZ

Datum uitspraak: 15 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

18 juli 2013, 13/392 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

Achmea Zorgkantoor N.V. (Zorgkantoor)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. van der Veen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft vervolgens nadere gronden ingediend, waarop het Zorgkantoor heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2015. Namens appellant zijn verschenen mr. W.F.C. van Megen, [naam X] (Van [M.] ) en [naam echtgenote] (de echtgenote van appellant). Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. C. Hartman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten.

1.1.

Het Zorgkantoor heeft in een besluit van 9 juli 2012 het aan appellant op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) verleende persoonsgebonden budget (pgb) met ingang van 1 mei 2012 ingetrokken. In dat besluit heeft het Zorgkantoor meegedeeld dat de reden voor de intrekking is dat appellant onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot de verantwoording van het pgb. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt.

1.2.

Het Zorgkantoor heeft in een besluit van 20 december 2012 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.

2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant niet aan zijn verantwoordingsplicht heeft voldaan. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het Zorgkantoor in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking van het pgb gebruik heeft kunnen maken. Het feit dat appellant geen zorg in natura wil ontvangen, maakt dat niet anders.

3. Appellant heeft tegen de uitspraak van de rechtbank aangevoerd dat zorg in natura niet mogelijk is. De zorg moet worden verleend door de echtgenote van appellant en door haar kinderen. Dat wordt onderschreven door de huisarts en de behandelend psychiater van appellant. Het Zorgkantoor had ervoor moeten zorgen dat een deskundige op huisbezoek bij appellant zou komen om de nodige zorg vast te stellen.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1.

Zolang de subsidie niet is vastgesteld, kan het bestuursorgaan op grond van artikel 4:48, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 2.6.12 van de Regeling subsidies AWBZ (Regeling) de subsidieverlening intrekken of ten nadele van de subsidieontvanger wijzigen. Artikel 4:48 van de Awb houdt een discretionaire bevoegdheid in. Het Zorgkantoor moet deze uitoefenen met inachtneming van het geschreven en ongeschreven recht, waaronder de in artikel 3:4 van de Awb neergelegde verplichting tot evenredige belangenafweging.

4.2.

De beroepsgronden van appellant zijn niet gericht tegen de overweging van de rechtbank dat appellant niet aan zijn verantwoordingsplicht heeft voldaan. Zoals appellants gemachtigde op de zitting heeft aangegeven gaat het appellant er om dat het Zorgkantoor bij afweging van de belangen rekening had moeten houden met de onmogelijkheid voor appellant om de zorg in natura te ontvangen.

4.3.

In het bestreden besluit heeft het Zorgkantoor meegedeeld dat zorg in natura in de situatie van appellant mogelijk is, maar dat appellant dat niet wenste. Uit de gedingstukken is gebleken dat appellants echtgenote eerst op 25 juni 2014 tijdens een zitting bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam te kennen heeft gegeven mee te willen werken aan het zoeken naar zorg in natura.

4.4.

In navolging van de rechtbank overweegt de Raad dat het feit dat appellant (aanvankelijk) geen zorg in natura wenste te ontvangen, niet maakt dat het Zorgkantoor ten tijde van het bestreden besluit in redelijkheid niet tot de intrekking van het pgb had kunnen overgaan. De verklaringen van de huisarts en de behandelend psychiater van appellant maken dit niet anders. De huisarts heeft immers aanvankelijk op 16 januari 2013 verklaard dat geregelde zorg door een externe zorgverlener onvermijdelijk is en dat de zorg te zwaar is om alleen door de familie te laten opvangen. De psychiater heeft op 15 januari 2013 slechts verklaard dat appellant voortdurende zorg nodig heeft en dat ‘af en toe een bezoekje van een hulpverlener dit niet kan vervangen’. Daarmee spreekt de psychiater zich niet uit tegen zorg in natura. In een verklaring van 16 april 2013 heeft de psychiater het zo verwoord, dat zij niet voor zich ziet hoe ambulante zorg in natura de door de familie gegeven begeleiding zou kunnen vervangen. Appellant vertrouwt mensen buiten het gezin niet. Hierin ziet de Raad onvoldoende aanleiding aan te nemen dat zorg in natura - al dan niet in combinatie met een gedeeltelijk pgb - niet mogelijk was. Het hoger beroep slaagt in zoverre niet.

4.5.

Op de zitting heeft Van [M.] toegelicht dat zij namens appellant de nodige inspanningen heeft gepleegd om zorg in natura te regelen, maar dat dit niet is gelukt. Zij wilde het liefst een combinatie bewerkstelligen van zorg in natura en een pgb. De zorgaanbieder die zij heeft benaderd zag echter van het verlenen van zorg af vanwege de complexe situatie bij appellant. Ook bleek het niet bespreekbaar dat de echtgenote van appellant in onderaanneming werkzaam was bij de zorgaanbieder. Het Zorgkantoor heeft volgens Van [M.] onvoldoende betrokkenheid getoond. Zij had graag een gesprek gehad met het Zorgkantoor om tot een oplossing te komen, maar dat is niet gelukt.

4.6.

In zoverre is beoogd ook aan te voeren dat het Zorgkantoor vanwege niet adequaat reageren op de interventies van Van [M.] niet van zijn bevoegdheid tot intrekking van het pgb gebruik heeft kunnen maken, slaagt het hoger beroep evenmin. Uit de gedingstukken blijkt namelijk dat Van [M.] namens appellant eerst op 16 juli 2014, en dus ruimschoots na het besluit op bezwaar van 20 december 2012, contact heeft opgenomen met het Zorgkantoor. Overigens is de Raad gelet op de overgelegde correspondentie niet gebleken dat het Zorgkantoor in de na 16 juli 2014 gelegde contacten is tekort geschoten in inspanningen om behulpzaam te zijn bij het bemiddelen naar een zorgaanbieder voor appellant. Verder is uit het niet slagen van de onderzoeksinspanningen door Van [M.] ook niet af te leiden dat zorg in natura niet mogelijk was. De onderzoeksinspanningen zijn laat opgestart. Ook is niet gebleken dat (de echtgenote van) appellant in voldoende mate de afdeling Zorgtoewijzing van het Zorgkantoor heeft betrokken in het bemiddelen naar een zorgaanbieder.

4.7.

Wat hiervoor is overwogen houdt in dat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.J.Schaap als voorzitter en J.P.A. Boersma en R.P.T. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2015.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) V. van Rij

AP