Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3574

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-10-2015
Datum publicatie
19-10-2015
Zaaknummer
14/4215 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Proceskosten bij 'no cure no pay' en bij fouten van de rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4215 WWB

Datum uitspraak: 13 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

25 juli 2014, 14/186 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft P.C.J. Schut hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2015. Namens appellante is verschenen P.C.J. Schut. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.L.J. Martens.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft op 21 oktober 2013 bijstand aangevraagd op grond van de Wet werk en bijstand. Op 19 december 2013 heeft appellante het college in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een beslissing op de aanvraag. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het

niet tijdig beslissen.

1.2.

Bij besluit van 3 maart 2014 heeft het college de aanvraag van appellante buiten behandeling gesteld. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep tegen het niet tijdig beslissen mede betrekking op het alsnog genomen besluit.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het college veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep heeft gemaakt, tot een bedrag van € 121,75.

3.1.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante stelt dat de rechtbank de hoogte van de proceskostenveroordeling ten onrechte heeft vastgesteld op € 121,75, omdat in de beroepsprocedure niet sprake is geweest van één, maar van twee voor vergoeding in aanmerking komende proceshandelingen.

3.2.

In verweer heeft het college betoogd dat appellante geen procesbelang heeft bij een beoordeling van het hoger beroep, omdat zij enkel de hoogte van de door de rechtbank vastgestelde proceskostenveroordeling bestrijdt en omdat een eventuele proceskostenvergoeding direct op de rekening van de gemachtigde wordt gestort. Bij dit laatste wijst het college op de tussen de gemachtigde en appellante gesloten overeenkomst voor rechtsbijstand die is gebaseerd op het principe van ‘no cure no pay’. Ten slotte stelt het college zich op het standpunt dat, nu sprake is van een door de rechtbank begane misslag, hij niet in de proceskosten van appellante in hoger beroep dient te worden veroordeeld. Het college verzoekt om diezelfde reden op grond van het bepaalde in artikel 8:114, eerste lid, van de Awb te bepalen dat het griffierecht door de griffier wordt terugbetaald.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb is de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.2.

Op grond van artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) kan een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 betrekking hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bpb wordt het bedrag van de kosten, bedoeld in artikel 1, onder a, van het Bpb, bij de uitspraak vastgesteld overeenkomstig het in de bijlage opgenomen tarief.

4.3.

De Raad stelt vast dat appellante procesbelang heeft bij een beoordeling van het hoger beroep en dat aan toekenning van een vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand niet in de weg staat dat die bijstand is verleend op basis van ‘no cure no pay’. Verwezen wordt kortheidshalve naar de uitspraak van 18 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2800.

4.4.

In de beroepsprocedure heeft de gemachtigde van appellante een beroepschrift ingediend. Daarnaast is appellante met haar gemachtigde ter zitting bij de rechtbank verschenen. Aldus is overeenkomstig het Bpb sprake van twee voor vergoeding in aanmerking komende proceshandelingen. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Dit betekent dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak zal worden vernietigd voor zover aangevochten. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, worden voor de vaststelling van de proceskosten in de beroepsprocedure twee punten toegekend. Niet in geschil is dat de wegingsfactor in dit geval 0,25 (zeer licht) is. Ingevolge de wijziging van het Bpb per

1 januari 2015 bedraagt de waarde per punt thans € 490,-. Dit betekent dat aan appellante in verband met de behandeling van het beroep een bedrag toekomt van € 245,-

(2 x € 490,- x 0,25). Deze proceskosten dienen door het college te worden voldaan.

5.1.

Aanleiding bestaat om het college (ook) te veroordelen in de proceskosten van appellante voor het hoger beroep. Anders dan het college heeft bepleit, komen fouten van de rechtbank die leiden tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de aangevallen uitspraak ingevolge vaste rechtspraak voor rekening en risico van het betrokken bestuursorgaan (uitspraak van

6 juni 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA7752). De proceskosten van appellante in hoger beroep worden begroot op € 980,- voor verleende rechtsbijstand.

5.2.

Tevens bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:114, eerste lid, van de Awb te bepalen dat het in hoger beroep betaalde griffierecht door de griffier aan appellante wordt terugbetaald.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.225,-;

- bepaalt dat de griffier aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 122,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2015.

(getekend) Y.J. Klik

(getekend) M.S. Boomhouwer

HD