Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3567

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-10-2015
Datum publicatie
19-10-2015
Zaaknummer
14/2317 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening bijstand. Huurbetalingen derde aan derde ter voorkoming van huisuitzetting. Huurbetalingen worden niet als middelen aangemerkt. Afstemming. Toepassen van artikel 6:22 Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2016/34
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2317 WWB

Datum uitspraak: 13 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

12 maart 2014, 13/8675 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.B.B. Beelaard, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Beelaard. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M. Drazenovic.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 3 augustus 2011 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2.

Naar aanleiding van het vermoeden dat appellante een gezamenlijke huishouding voert met [naam S] (S) op haar adres [adres A] te [woonplaats], heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellante. In dat verband zijn onder meer door appellante overgelegde bankafschriften bezien en is informatie opgevraagd bij woningbouwvereniging Vidomes. Appellante is op 23 januari 2013 en op 14 februari 2013 gehoord. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 18 februari 2013.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

22 februari 2013 de bijstand van appellante met ingang van 3 augustus 2011 in te trekken. Bij besluit van 27 februari 2013 heeft het college de over de periode van 3 augustus 2011 tot en met 31 januari 2013 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 23.616,47 van appellante teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 17 september 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 22 februari 2013 en het bezwaar tegen het besluit van 27 februari 2013 deels gegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellante, in verband met beschikbare middelen in de vorm van kasstortingen en bijschrijvingen op haar rekening en door S voor appellante verrichte huurbetalingen, over de maanden augustus 2011, september 2011, november 2011 tot en met maart 2012, mei 2012 en juli 2012 tot en met oktober 2012 een bedrag van € 6.662,75 (bruto) te veel aan bijstand heeft ontvangen. De bijstand over deze maanden wordt herzien, in die zin dat deze middelen in de desbetreffende maanden als inkomsten in aanmerking worden genomen. Omdat de inkomsten in de maand september 2011 hoger zijn dan de bijstand die appellante in die maand heeft ontvangen, heeft appellante in die maand geen recht op (aanvullende) bijstand. De bijstand over die maand wordt dan ook ingetrokken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij betwist dat de door S in de maanden maart 2012, mei 2012 en juli 2012 rechtstreeks aan woningbouwvereniging Vidomes gedane huurbetalingen van onderscheidenlijk € 476,77,

€ 476,77 en € 487,43 als middelen en - in het verlengde daarvan - als inkomsten in aanmerking moeten worden genomen. Appellante voert aan dat zij feitelijk niet over de desbetreffende bedragen kon beschikken en dat zij evenmin aanspraak had jegens S op deze bedragen. Voorts voert zij aan dat de huurbetalingen geen periodiek en structureel karakter hadden en dat S deze incidenteel heeft gedaan om een dreigende huisuitzetting van appellante te voorkomen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 11, eerste lid, van de WWB bepaalt dat iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege.

4.2.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de WWB stemt het college de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, de mogelijkheden en de middelen van de belanghebbende.

4.3.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WWB, voor zover hier van belang, heeft een alleenstaande recht op algemene bijstand indien het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de bijstandsnorm en er geen in aanmerking te nemen vermogen is. Ingevolge het tweede lid van dit artikel is de hoogte van de algemene bijstand het verschil tussen het inkomen en de bijstandsnorm.

4.4.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de WWB worden tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Volgens het tweede lid van dit artikel worden bepaalde, daar genoemde, inkomens- en vermogensbestanddelen niet tot de middelen gerekend.

4.5.

Ingevolge artikel 32, eerste lid, van de WWB, zoals dat ten tijde van belang luidde, wordt, verkort weergegeven, onder inkomen verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voor zover deze (a) inkomsten betreffen uit of in verband met arbeid, dan wel naar hun aard met de in deze bepaling bedoelde inkomsten en uitkeringen overeenkomen en (b) betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.

4.6.

In geschil is uitsluitend of het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de door S rechtstreeks aan Vidomes gedane huurbetalingen van € 476,77, € 476,77 en € 487,43 (de huurbetalingen) voor respectievelijk de maanden maart 2012, mei 2012 en juli 2012 (de hier aan de orde zijnde maanden) moeten worden aangemerkt als middelen waarover appellante redelijkerwijs heeft kunnen beschikken in de zin van artikel 31, eerste lid, van de WWB.

4.7.

Of een betrokkene in een geval dat een derde voor hem rechtstreeks betaalt aan zijn debiteur, niettemin geacht moet worden redelijkerwijs te hebben kunnen beschikken over de desbetreffende bedragen hangt af van de specifieke feiten en omstandigheden van het geval. Daarbij is het leidend criterium of de betrokkene zelf feitelijk kan of heeft kunnen bewerkstelligen dat deze bedragen nog voor (andere) kosten van zijn levensonderhoud worden aangewend.

4.8.

In dit geval heeft appellante niet kunnen bepalen waaraan de desbetreffende bedragen werden besteed. Niet in geschil is immers dat S de huurbetalingen rechtstreeks aan Vidomes heeft gedaan met als doel om een dreigende huisuitzetting van appellante te voorkomen. Gelet hierop heeft het college niet aannemelijk gemaakt dat appellante kon bewerkstelligen dat zij de voor woonkosten betaalde bedragen zelf zou kunnen ontvangen en aan een ander doel zou kunnen besteden dan wel dat zij had kunnen bedingen dat S de bedoelde bedragen voor andere kosten van haar levensonderhoud zou aanwenden. Dit betekent dat appellante redelijkerwijs niet over de desbetreffende bedragen heeft kunnen beschikken.

4.9.

De huurbetalingen konden dan ook, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, niet als middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de WWB worden aangemerkt. Hieruit volgt dat het college de bijstand over de hier aan de orde zijnde maanden niet op deze grond had mogen herzien.

4.10.

Het college heeft zich ter zitting subsidiair op het standpunt gesteld dat de huurbetalingen op grond van artikel 18, eerste lid, van de WWB bij de vaststelling van de bijstand over de hier aan de orde zijnde maanden - volledig - in aanmerking moeten worden genomen.

4.11.

Artikel 18, eerste lid, van de WWB geeft inhoud aan één van de uitgangspunten van de WWB, te weten dat de bijstand wordt afgestemd op de feitelijke behoeften in het individuele geval. Volgens vaste rechtspraak is voor een dergelijke individuele afstemming in de vorm van een verlaging slechts plaats in zeer bijzondere situaties (uitspraak van 11 september 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX8450). In dit geval kan een dergelijke bijzondere situatie worden aangenomen.

4.12.

Daargelaten of de huurbetalingen periodiek en structureel hebben plaatsgevonden, werd met de huurbetalingen volledig voorzien in bepaalde kosten die behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan van appellante. Doordat appellante deze kosten niet meer zelf behoefde te voldoen uit de bijstandsnorm leverde haar dit een substantiële besparing op, zodat haar bijstandbehoevendheid gedurende de hier aan de orde zijnde maanden per saldo werd verminderd. Anderzijds resteerden voor appellante nog wel andere kosten van levensonderhoud (dan de woonkosten) waarin niet door een derde werd voorzien.

4.13.

Afstemming op de omstandigheden van appellante is daarom aangewezen in die zin dat geen algemene bijstand behoeft te worden verleend in de specifieke kosten waarin door S is voorzien. Dit betekent dat in dit geval een juiste afstemming van de bijstand wordt bereikt door een verlaging van de bijstand met bedragen van € 476,77, € 476,77 en € 487,43 over respectievelijk de maanden maart 2012, mei 2012 en juli 2012.

4.14.

Appellante wordt met deze afstemming feitelijk niet benadeeld. Daarom kan de schending van artikel 31, eerste lid, van de WWB met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht worden gepasseerd. Dit leidt ertoe dat het bestreden besluit in rechte stand houdt.

4.15.

Uit 4.2 tot en met 4.14 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, zal worden bevestigd.

5. Gelet op 4.9 bestaat aanleiding om het college te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 980,- in beroep en op € 980,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot

een bedrag van € 1.960,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 166,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.M. Overbeeke als voorzitter en C. van Viegen en

F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2015.

(getekend) A.M. Overbeeke

(getekend) C.M.A.V. van Kleef

HD