Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3563

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-10-2015
Datum publicatie
19-10-2015
Zaaknummer
13/5703 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:6959, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Hennepkwekerij. Appellant heeft niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat hij de hennepkwekerij niet zelf heeft geëxploiteerd of mede heeft geëxploiteerd en daarmee geen inkomsten heeft gegenereerd. Daarbij is van belang dat appellant, zoals blijkt uit het proces-verbaal van verhoor van 17 juli 2012, de namen van de personen die de kwekerij volgens hem hebben geëxploiteerd niet heeft prijsgegeven. Dat appellant slechts als tussenpersoon heeft gefungeerd en in die hoedanigheid geen inkomsten heeft ontvangen, berust louter op zijn eigen verklaring. Gelet op de omstandigheid dat appellant daarnaast geen deugdelijke administratie heeft bijgehouden over de oogsten en de daaruit ontvangen inkomsten kan niet worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, appellant recht op bijstand had in de hier te beoordelen periode.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/5703 WWB

Datum uitspraak: 13 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

12 september 2013, 13/1865 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Maassluis (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. Y. Taghi, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2015. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M. van Marrewijk.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 24 november 2010 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand. Appellant woonde ten tijde van belang op het adres [adres] (uitkeringsadres).

1.2.

Naar aanleiding van een op 12 juli 2012 bij het college binnengekomen melding van Team Handhaving en Toezicht van de gemeente Maassluis dat in de woning van appellant een hennepkwekerij is aangetroffen, heeft de sociale recherche van de gemeente Maassluis een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dit kader is appellant opgeroepen voor een gesprek op 16 juli 2012. Tijdens dat gesprek heeft appellant onder meer verklaard dat hij een schuld had bij Bosnische mannen die hij niet kon terugbetalen, dat hij onder druk van die personen is gezwicht om een ruimte van zijn huis ter beschikking te stellen voor een hennepkwekerij en dat de hennepkwekerij eind maart, begin april 2012 werd gebouwd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 16 juli 2012.

1.3.

De onderzoeksbevindingen zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

28 augustus 2012 de bijstand met ingang van 1 april 2012 te herzien (lees: in te trekken) en de over de periode van 1 april 2012 tot en met 11 juli 2012 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 3.075,16 van appellant terug te vorderen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant zijn activiteiten met betrekking tot de hennepkwekerij op het uitkeringsadres niet heeft gemeld. Appellant is niet in staat gebleken om bewijsstukken, zoals een boekhouding, ter zake van de (veronderstelde) inkomsten te overleggen. Hierdoor kan het recht op bijstand vanaf 1 april 2012 niet worden vastgesteld.

1.4.

Bij besluit van 8 februari 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 28 augustus 2012 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 1 april 2012 tot en met 28 augustus 2012.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat op het uitkeringsadres een in werking zijnde hennepkwekerij is aangetroffen. Evenmin is in geschil dat met het starten van die hennepkwekerij op 1 april 2012 een aanvang is gemaakt.

4.3.

Anders dan appellant meent, worden volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 9 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX9977) zowel het verrichten van activiteiten gericht op het starten van een hennepkwekerij als het exploiteren daarvan aangemerkt als omstandigheden waarvan de betrokkene redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand en waarvan hij het betreffende bestuursorgaan onverwijld mededeling moet doen, ongeacht of daaruit inkomsten worden verworven. Door hiervan geen melding te maken heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden.

4.4.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.5.

Appellant is daarin niet geslaagd. Het feit dat in de woning van appellant een hennepkwekerij is aangetroffen rechtvaardigt volgens vaste rechtspraak (uitspraak van

15 april 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC9675) de vooronderstelling dat appellant daarbij betrokken is geweest en dat de opbrengst (ook) hem ten goede is gekomen. Appellant heeft niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat hij de hennepkwekerij niet zelf heeft geëxploiteerd of mede heeft geëxploiteerd en daarmee geen inkomsten heeft gegenereerd. Daarbij is van belang dat appellant, zoals blijkt uit het proces-verbaal van verhoor van 17 juli 2012, de namen van de personen die de kwekerij volgens hem hebben geëxploiteerd niet heeft prijsgegeven. Dat appellant slechts als tussenpersoon heeft gefungeerd en in die hoedanigheid geen inkomsten heeft ontvangen, berust louter op zijn eigen verklaring. Gelet op de omstandigheid dat appellant daarnaast geen deugdelijke administratie heeft bijgehouden over de oogsten en de daaruit ontvangen inkomsten kan niet worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, appellant recht op bijstand had in de hier te beoordelen periode.

4.6.

Ten slotte, voor zover appellant in hoger beroep de gronden van het bezwaar en het beroep heeft herhaald en ingelast, is van belang dat de rechtbank op die gronden is ingegaan. Appellant heeft geen gronden, ook niet ter zitting, aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2015.

(getekend) Y.J. Klik

(getekend) M.S. Boomhouwer

HD