Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3553

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-10-2015
Datum publicatie
15-10-2015
Zaaknummer
13/992 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

niet-ontvankelijk verklaring hoger beroep. Geen procesbelang.

Wetsverwijzingen
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen 114
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2015/365
USZ 2015/403
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/992 WIA, 13/3051 WIA

Datum uitspraak: 14 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

7 januari 2013, 12/609 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante B.V.] te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. T.C. Andeweg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend

Op 17 mei 2013 heeft het Uwv een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.

Namens betrokkene heeft mr. M. Sieben op dat besluit gereageerd en nadere stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een vraag van de Raad beantwoord. Betrokkene heeft hierop gereageerd en nadere stukken in geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2015. Namens appellante zijn verschenen R.J. Komen en mr. Andeweg. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong. Betrokkene is verschenen bijgestaan door mr. Sieben. De door betrokkene meegebrachte getuige [naam B] is gehoord.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene was via zijn persoonlijke vennootschap [Appellante B.V.] samen met twee broers directeur en medeaandeelhouder van appellante. Appellante was eigenaar van [naam B.V. 2] . en [naam B.V. 3] Uit hoofde van zijn functie van directeur van appellant was betrokkene medebestuurder van [naam B.V. 2] . en tevens werkzaam als medewerker bakkerij bij [naam B.V. 2] . Deze werkzaamheden werden door betrokkene verricht op basis van een overeenkomst van opdracht. Betrokkene ontving voor deze werkzaamheden een maandelijkse vergoeding vanuit zijn persoonlijke vennootschap.

1.2.

In de loop van 2009 zijn er ernstige continuïteitsproblemen ontstaan bij [naam B.V. 2] . In verband hiermee is aan de persoonlijke vennootschappen van betrokkene en zijn broers op 28 december 2009 ontslag verleend als directeur van appellante en is [naam A.] benoemd tot enig directeur. Betrokkene heeft zijn werkzaamheden als medewerker bakkerij bij [naam B.V. 2] . voortgezet. Op 11 februari 2010 heeft betrokkene zich voor deze werkzaamheden ziek gemeld.

1.3.

Op 22 februari 2010 is er tussen de eigenaren van appellante en [naam B.V. 4] een “letter of intent” getekend. Hieruit blijkt dat verkopers en koper wilsovereenstemming hebben bereikt tot levering van het gehele aandelenkapitaal van appellante aan [naam B.V. 4] Onderdeel van deze overeenstemming was “de formalisering van per 1 januari 2010 tot stand gekomen arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd welke nog op schrift zullen worden gesteld” tussen [naam B] , [naam A.] en betrokkene enerzijds en appellante anderzijds, waarbij “tussen partijen is overeengekomen dat voor voornoemde heren zo spoedig mogelijk een functie zal worden gedefinieerd gebaseerd op talent, kennis en ervaring”. Het salaris voor betrokkene zou volgens deze “letter of intent” € 40.000,- bruto per jaar bedragen. De eigendomsoverdracht van de aandelen van appellante aan [naam B.V. 4] heeft plaatsgevonden op 12 maart 2010.

1.4.

Op 15 maart 2010 hebben [naam B.V. 2] . en betrokkene een overeenkomst getekend, volgens welke betrokkene met ingang van 1 januari 2010 voor onbepaalde duur in dienst is getreden van [naam B.V. 2] . en werkzaam is in de functie van medewerker bakkerij in een omvang van 36 uur per week. Per 1 januari 2010 bedraagt het salaris € 2.009,- per vier weken. Naast dit salaris ontvangt betrokkene een ploegentoeslag van 20% en een persoonlijke toeslag van € 438,20.

1.5.

Na een reorganisatie is de arbeidsplaats van betrokkene vervallen. Bij beschikking van

25 januari 2011 heeft de kantonrechter van de rechtbank Groningen de overeenkomst tussen betrokkene en [naam B.V. 2] . met ingang van 7 februari 2011 ontbonden onder toekenning van een vergoeding aan betrokkene ten laste van [naam B.V. 2] . van

€ 40.000,- bruto.

1.6.

[naam B.V. 2] . is op 5 augustus 2011 door een juridische fusie opgegaan in appellante.

1.7.

Betrokkene heeft op 28 oktober 2011 bij het Uwv een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

1.8.

Bij besluit van 21 december 2011 heeft het Uwv betrokkene met ingang van 9 februari 2012 de verzochte WIA-uitkering ontzegd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat uit verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek is gebleken dat betrokkene al bij de aanvang van zijn verzekering arbeidsongeschikt was.

1.9.

Bij besluit van 30 mei 2012 (bestreden besluit) zijn de bezwaren van betrokkene tegen het besluit van 21 december 2011 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het Uwv veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv onvoldoende gemotiveerd waarom betrokkene bij de aanvang van zijn verzekering volledig arbeidsongeschikt was.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt gehandhaafd dat betrokkene reeds bij aanvang van zijn verzekering arbeidsongeschikt was en daarom niet in aanmerking kan komen voor een WIA-uitkering. Volgens appellante betreft de arbeidsongeschiktheid die op

11 februari 2010 tot een ziekmelding heeft geleid een voortzetting van een eerdere ziekte. Daaraan doet niet af dat betrokkene vanaf 1 januari 2010 het werk enige tijd heeft volgehouden.

3.2.

Bij het nadere besluit van 17 mei 2013 heeft het Uwv zijn standpunt gewijzigd. Het Uwv stelt zich thans primair op het standpunt dat betrokkene vanaf 1 januari 2010 niet in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan tot [naam B.V. 2] . omdat de daarvoor vereiste gezagsverhouding ontbreekt. Daarom was betrokkene op 1 januari 2010 dan wel 11 februari 2010, de dag van de ziekmelding, niet als werknemer verzekerd voor de Wet WIA. Subsidiair heeft het Uwv zijn standpunt gehandhaafd, dat betrokkene al arbeidsongeschikt was bij de aanvang van zijn verzekering. Ter nadere motivering van dit subsidiaire standpunt heeft het Uwv verwezen naar een bij het besluit gevoegd rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. Het Uwv heeft op deze gronden het bezwaar van betrokkene opnieuw ongegrond verklaard.

3.3.

Betrokkene stelt zich op het standpunt dat hij vanaf 28 december 2009, de datum waarop hij bij de Kamer van Koophandel is uitgeschreven als directeur, werkzaam is geweest bij [naam B.V. 2] . in een privaatrechtelijke dienstbetrekking en dat hij uit dien hoofde als werknemer verzekerd was voor de Wet WIA. Betrokkene volgt het Uwv niet in het standpunt dat hij al bij de aanvang van zijn verzekering arbeidsongeschikt was. Volgens betrokkene is zijn uitval op 11 februari 2010 veroorzaakt door toegenomen medische klachten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Met het nadere besluit van 17 mei 2013 moet het bestreden besluit geacht worden te zijn ingetrokken. Niet is gebleken dat appellante nog een procesbelang heeft bij de beoordeling van het bestreden besluit en van de aangevallen uitspraak. Het hoger beroep van appellant moet dan ook wegens verlies van procesbelang niet-ontvankelijk worden verklaard.

4.2.

Aangezien betrokkene daarbij belang heeft, is op grond van de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege een te beoordelen beroep ontstaan tegen het nadere besluit van 17 mei 2013.

4.3.

Artikel 114 van de Wet WIA bepaalt, dit in afwijking van artikel 1:2 van de Awb, dat de werkgever geen belanghebbende is bij een beschikking van het Uwv over het verzekerd zijn op grond van deze wet. Dit betekent dat appellante geen belanghebbende is bij het nadere besluit van 17 mei 2013 voor zover daarbij is beslist over het verzekerd zijn van betrokkene. In zoverre is appellante ook geen partij bij dit beroep. Daarom zal de Raad zich met betrekking tot dit onderdeel van het besluit van 17 mei 2013 beperken tot bespreking van de gronden die betrokkene daartegen heeft aangevoerd.

4.4.

Het geschil betreft de vraag of betrokkene vanaf 1 januari 2010 dan wel 11 februari 2010 werknemer was in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Wet WIA. Hiertoe is vereist dat betrokkene in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan tot een werkgever. Naar vaste rechtspraak moet voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake zijn van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1785). Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval in onderlinge samenhang bezien en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet één enkel element beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun rechtsverhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien (zie: ECLI:NL:HR: 2011:BP3887 en ECLI:NL:HR:2012:BU8926).

4.5.

Nu betrokkene een aanvraag heeft ingediend om in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van de Wet WIA, ligt het in beginsel op zijn weg om aan de hand van objectieve en controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat hij recht op een uitkering heeft (zie ECLI:NL:CRVB:2015:1524). Het vorenstaande brengt met zich mee dat betrokkene aannemelijk moet maken dat hij vanaf 1 januari 2010 dan wel 11 februari 2010 werkzaam is geweest in een privaatrechtelijke dienstbetrekking. In een situatie waarbij betrokkene zijn werkzaamheden eerder heeft verricht in het kader van een overeenkomst van opdracht moet hij buiten twijfel stellen dat deze werkzaamheden op de relevante data door hem werden uitgevoerd in het kader van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.

4.6.

Betrokkene heeft op 15 maart 2010 een arbeidsovereenkomst getekend met [naam B.V. 2] . Deze arbeidsovereenkomst is namens [naam B.V. 2] . getekend door [naam C] , directeur van [naam B.V. 4] Deze vennootschap was vanaf 12 maart 2010 eigenaar van appellante. Ofschoon partijen in de arbeidsovereenkomst hebben bepaald dat betrokkene met ingang van 1 januari 2010 in dienst is getreden bij [naam B.V. 2] . is het niet aannemelijk dat de nieuwe eigenaar al vanaf die datum werkgeversgezag zou hebben kunnen uitoefenen over betrokkene. Uit de “letter of intent” van 22 februari 2010 blijkt dat er op dat moment nog geen volledige overeenstemming was over de overeenkomst met betrokkene. Er diende nog een functie te worden gedefinieerd voor betrokkene gebaseerd op zijn talent, kennis en ervaring.

4.7.

Betrokkene heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij vanaf 1 januari 2010 dan wel

11 februari 2010 feitelijk in een gezagsverhouding heeft gestaan tot [naam B.V. 2] . Van een verplichting om opdrachten en aanwijzingen op te volgen is niet gebleken. Uit de door betrokkene in hoger beroep overgelegde verklaringen van [S] , [R] en [E] volgt dat niet. [S] spreekt over “samenwerken” met betrokkene en wijst op diens “kennis en allround vakmanschap”. [R] beschrijft slechts dat betrokkene werkzaam was als teamleider en verklaart niets over door anderen over betrokkene uitgeoefend gezag. De verklaring van Eisema vermeldt weliswaar dat betrokkene opdracht kreeg van [S] , maar deze verklaring is summier, zonder adstructie of toelichting, waardoor niet duidelijk is hoe die opdracht moet worden begrepen. Ook uit de e-mail van Bijma aan betrokkene van 13 augustus 2015 kan dat niet worden afgeleid. Daarbij moet worden vastgesteld dat [S] , [R] en Eisema volgens hun eigen verklaringen destijds werkzaam zijn geweest bij [naam B.V. 3] , een andere onderneming van appellante.

4.8.

Betrokkene en de getuige [naam B] hebben ter zitting verklaard dat de werkzaamheden die betrokkene vanaf 1 januari 2010 heeft verricht bij [naam B.V. 2] . een voortzetting waren van de werkzaamheden die hij tot die datum al deed. De enige wijziging na het ontslag als directeur van appellante betrof het wegvallen van de leidinggevende taken voor zover die geen betrekking hadden op het productieproces. Ook hieruit blijkt niet dat de werkzaamheden die betrokkene tot 28 december 2009 verrichtte bij [naam B.V. 2] . uit hoofde van zijn functie als directeur van appellante op basis van een overeenkomst van opdracht, vanaf

1 januari 2010 door hem werden uitgeoefend onder werkgeversgezag vanwege deze B.V.

4.9.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is duidelijk geworden dat appellante zich ten tijde hier geding in een overgangssituatie bevond. Betrokkene heeft niet buiten iedere twijfel gesteld dat hij in die overgangssituatie (reeds) vanaf 1 januari 2010 dan wel

11 februari 2010 in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan tot [naam B.V. 2] . en uit dien hoofde als werknemer verzekerd was voor de Wet WIA. Niet gebleken is dat betrokkene vanaf 1 januari 2010 zijn werkzaamheden heeft verricht onder gezag van [naam B.V. 2] . Het beroep van betrokkene tegen het nadere besluit van 17 mei 2013 moet daarom ongegrond worden verklaard. Hetgeen partijen hebben aangevoerd met betrekking tot het in dat besluit verwoorde subsidiaire standpunt van het Uwv behoeft geen bespreking meer.

5. Omdat appellante haar procesbelang bij het hoger beroep heeft verloren door het nadere besluit van 17 mei 2013 bestaat er aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 980,- aan kosten van verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het hoger beroep van appellante niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep van betrokkene tegen het besluit van 17 mei 2013 ongegrond;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van

€ 980,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het door haar in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 478,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en

M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2015.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) W. de Braal

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.

HD