Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3528

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-10-2015
Datum publicatie
15-10-2015
Zaaknummer
14-1647 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Terecht geen maatmanwisseling toegepast. Appellant heeft het basis- en vakdiploma beveiliging behaald, maar heeft de functie van beveiligingsmedewerker nimmer in het vrije beroeps- en bedrijfsleven maar uitsluitend in een WSW-dienstverband uitgeoefend. Artikel 5, vijfde lid van de AAW staat dan ook in de weg aan het door appellant gewenste hanteren van de beveiligingsmedewerker als maatman dan wel het in aanmerking nemen van het bij die functie behorende loon. 2) Weigering WAO-uitkering. Appellant heeft niet voldaan heeft aan het wettelijke vereiste dat hij 52 weken aaneengesloten arbeidsongeschikt is geweest voor (zijn) WAO-verzekerde arbeid als beveiligingsmedewerker. Hij heeft dus de zogenoemde wachttijd niet volgemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/1647 WAO

Datum uitspraak: 5 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 13 februari 2014, 13/217 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2015, waar appellant is verschenen met bijstand van mr. M.M.J.P. Penners, advocaat. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, die zijn werkzaamheden als zelfstandig melkventer voor 60 uur per week in verband met rugklachten heeft moeten staken, ontvangt sinds 1980 een uitkering ingevolge de toenmalige Algemene arbeidsongeschiktheidswet (AAW), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Appellant is geïndiceerd op grond van de Wet sociale werkvoorziening (WSW). Sinds 1983 is appellant werkzaam in een WSW-dienstverband, laatstelijk als beveiligingsmedewerker, waartoe hij in 1995 het basisdiploma beveiliging en in 1996 het vakdiploma beveiliging heeft behaald. In verband met de inkomsten uit de WSW-arbeid werd de AAW-uitkering van appellant sinds 1983 met toepassing van artikel 33 van de AAW uitbetaald als ware de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant minder dan 25%. Per 1 januari 1998 is de uitkering omgezet in een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ).

1.2.

In verband met toegenomen arbeidsongeschiktheid per 17 maart 1997 als gevolg van psychische klachten (zijnde een andere ziekteoorzaak) is bij besluit van 13 februari 1998 de WAZ-uitkering van appellant met ingang van 16 maart 1998 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Voorts is bij dat besluit bepaald dat de

WAZ-uitkering in verband met de inkomsten uit WSW-arbeid niet wordt uitbetaald. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend.

1.3.

In 2011 heeft appellant het Uwv verzocht om in aanmerking te komen voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO); tevens heeft hij verzocht om een zogenoemde maatmanwisseling. Bij besluit van 18 november 2011 heeft het Uwv geweigerd aan appellant een WAO-uitkering toe te kennen, op de grond dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid met ingang van 16 maart 1998 minder dan 15% bedroeg. Dit besluit is gebaseerd op een arbeidskundig rapport van 31 maart 2011. Bij besluit van 1 maart 2012 heeft het Uwv het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, nu omdat appellant de wachttijd van 52 weken niet had voltooid.

1.4.

De rechtbank heeft dit besluit bij uitspraak van 14 augustus 2012 (12/602) vernietigd en het Uwv opdracht gegeven een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellant te nemen. De rechtbank heeft daartoe, onder verwijzing naar artikel 9, tweede lid, van de WAZ en de uitspraak van de Raad van 14 maart 2003 (ECLI:NL:CRVB:2003:AF7521), overwogen dat het Uwv dient te beoordelen of appellant, gelet op zijn werkzaamheden als beveiligingsmedewerker in WSW-verband, aanspraak heeft op een WAO-uitkering vanwege verkregen nieuwe bekwaamheden.

1.5.

Het Uwv heeft ter uitvoering van de uitspraak bij besluit van 12 december 2012 (bestreden besluit) het bezwaar wederom ongegrond verklaard. Appellant komt niet in aanmerking voor een zogenoemde maatmanwisseling omdat, aldus het Uwv, uit onderzoek is gebleken dat appellant in verband met zijn beperkte belastbaarheid nimmer in volle omvang de werkzaamheden van beveiligingsmedewerker heeft kunnen verrichten. Voorts heeft het Uwv aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellant de wettelijke wachttijd van destijds 52 weken arbeidsongeschiktheid niet heeft vervuld. Dit besluit is gebaseerd op een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van

12 december 2012.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het onderzoek van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, in het kader waarvan inlichtingen zijn ingewonnen bij [werkgever] , de voormalig werkgever van appellant, alsmede bij de operationeel manager van [BV] , zorgvuldig is geweest. De rechtbank heeft op grond van de bevindingen van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geconcludeerd dat het Uwv genoegzaam heeft aangetoond dat appellant de WSW-werkzaamheden van beveiligingsmedewerker wegens zijn fysieke en psychische beperkingen slechts in een aangepaste vorm heeft verricht, waardoor een maatmanwisseling niet aan de orde kan komen. Voorts heeft de rechtbank - naar aanleiding van de stelling van appellant dat hij steeds snel hervatte uit vrees voor ontslag - geoordeeld dat het voor appellants eigen rekening en risico komt dat hij zijn WSW-werkzaamheden telkens heeft hervat zodat voor de vaststelling van de wachttijd van 52 weken in het kader van de WAO zal moeten worden uitgegaan van de ziekmeldingen zoals die in het dossier zijn opgenomen.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep - samengevat - aangevoerd dat het arbeidskundig onderzoek niet zorgvuldig is geweest nu de informatie van de operationeel manager van [BV] betrekking heeft op een algemene beschrijving van de functie beveiliger en niet per definitie ziet op het functioneren van appellant. Verder heeft hij gesteld dat zijn rugklachten en psychische klachten geen beletsel hebben gevormd voor het verrichten van de WSW-werkzaamheden. Gezien de lange periode waarin hij de werkzaamheden van beveiligingsmedewerker heeft verricht, waarbij hij alle reguliere voorkomende werkzaamheden heeft uitgevoerd op een wijze als ware hij niet werkzaam in WSW-verband maar als reguliere werknemer, dient naar de mening van appellant een maatmanwisseling plaats te vinden.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

Tussen partijen is in geschil of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellant niet in aanmerking komt voor een maatmanwisseling op grond van verkregen nieuwe bekwaamheden. Voorts is in geschil of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellant met ingang van 16 maart 1998 niet in aanmerking komt voor een WAO-uitkering.

4.3.

Betreffende de maatmanwisseling, op grond waarvan in het kader van de WAZ-uitkering niet langer de zelfstandig melkventer als maatman zou moeten worden gehanteerd, wordt als volgt overwogen.

4.3.1.

Op 1 januari 1998 is de AAW vervallen en is de WAZ in werking getreden. Zoals volgt uit het in artikel XIII van de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen van 24 april 1997, (Staatsblad 1997, 178) (de Wet inga) neergelegde overgangsrecht, is bij de invoering van de WAZ de positie van de

AAW-gerechtigde (gedeeltelijk) gerespecteerd. Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder b, van dit artikel, blijft de AAW, zoals die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de WAZ te zijnen aanzien gold, van toepassing op de persoon die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de AAW. Artikel IX A, eerste en tweede lid, voor zover hier van belang, bepaalt dat de artikelen 5 en 12, tweede tot en met vierde lid, van de AAW, zoals die artikelen luidden op de dag, voorafgaande aan die waarop de wet van 6 november 1986 (nadere regeling in verband met verminderde gelegenheid tot het verkrijgen van arbeid) in werking is getreden, van toepassing blijven op de persoon die op die dag recht had op een

arbeidsongeschiktheids-uitkering en op die dag de leeftijd van 35 jaar heeft bereikt. Deze nadere regeling is met ingang van 1 januari 1987 in werking getreden.

4.3.2.

Omdat appellant, geboren op 24 juli 1948, voor de inwerkingtreding van de WAZ een AAW-uitkering ontving, dient de beoordeling, anders dan de rechtbank heeft gedaan, plaats te vinden aan de hand van het bepaalde in de AAW, zoals die wet gold vóór 1 januari 1987.

4.3.3.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de AAW, zoals deze bepaling destijds luidde, is arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, hij, die ten gevolge van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk buiten staat is om met arbeid, die voor zijn krachten en bekwaamheid is berekend en die met het oog op zijn opleiding en vroeger beroep hem in billijkheid kan worden opgedragen, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst verricht heeft of op een naburige soortgelijke plaats te verdienen, hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde personen, van dezelfde soort en soortgelijke opleiding op zodanige plaats met arbeid gewoonlijk verdienen.

Ingevolge het vijfde lid van dit artikel wordt bij de toepassing van de vorige leden niet in aanmerking genomen, hetgeen wordt of kan worden ontvangen voor arbeid verricht bij wijze van sociale werkvoorziening.

4.3.4.

Ingevolge artikel 12, tweede lid, onder b, van de AAW wordt bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid zoveel doenlijk, rekening gehouden met verkregen nieuwe bekwaamheden.

4.4.

Appellant heeft in 1995 en 1996 het basis- en vakdiploma beveiliging behaald, maar heeft de functie van beveiligingsmedewerker nimmer in het vrije beroeps- en bedrijfsleven maar uitsluitend in een WSW-dienstverband uitgeoefend. Artikel 5, vijfde lid van de AAW staat dan ook in de weg aan het door appellant gewenste hanteren van de beveiligingsmedewerker als maatman dan wel het in aanmerking nemen van het bij die functie behorende loon. De door de rechtbank aangehaalde uitspraak van de Raad van 14 maart 2003 is in dit geval niet van betekenis omdat die uitspraak betrekking heeft op de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en niet op de AAW. Reeds hieruit volgt dat een maatmanwisseling niet kan plaatsvinden. De beroepsgronden die zien op de vraag naar de (medische) geschiktheid van appellant voor de functie van beveiligingsmedewerker in WSW-verband kunnen buiten bespreking blijven.

4.5.

Ten aanzien van de vraag of appellant met ingang van 16 maart 1998 in aanmerking dient te komen voor een WAO-uitkering, wordt als volgt overwogen.

4.6.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WAO, zoals dit artikel luidde ten tijde hier van belang, heeft de verzekerde, die arbeidsongeschikt wordt, zodra hij onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest, recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien hij na afloop van deze periode nog arbeidsongeschikt is. Als eerste dag van de arbeidsongeschiktheid geldt de eerste werkdag waarop wegens ziekte niet is gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt.

4.7.

Uit de voorhanden stukken kan niet worden afgeleid dat appellant als verzekerde ingevolge de WAO gedurende 52 weken arbeidsongeschikt is geweest. Dat appellant in het kader van de WAZ in de periode van 17 maart 1997 tot 16 maart 1998 wel 52 weken toegenomen arbeidsongeschikt is geacht op grond waarvan de WAZ-uitkering per 16 maart 1998 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, leidt niet tot een ander oordeel. Niet gebleken is dat hij zijn WAO-verzekerde werkzaamheden van beveiligingsmedewerker in die periode wegens ziekte niet heeft verricht. Uit de verzuimregistratie over de periode van 17 maart 1997 tot 16 maart 1998 blijken geen ziekmeldingen van appellant, behoudens voor de periode van 26 januari 1998 tot 3 februari 1998, bekend te zijn. Gelet op het bepaalde in artikel 19, eerste lid, van de WAO, zoals dit ten tijde hier van belang luidde, moet daaruit de conclusie worden getrokken dat appellant niet voldaan heeft aan het wettelijke vereiste dat hij 52 weken aaneengesloten arbeidsongeschikt is geweest voor (zijn) WAO-verzekerde arbeid als beveiligingsmedewerker. Hij heeft dus de zogenoemde wachttijd niet volgemaakt. Het oordeel van de rechtbank wordt dan ook onderschreven.

4.8.

Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.7 is overwogen, volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J. Riphagen en P.H. Banda als leden, in tegenwoordigheid van M. Crum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2015.

(getekend) D.J. van der Vos

(getekend) M. Crum

AP