Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3522

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-10-2015
Datum publicatie
15-10-2015
Zaaknummer
14/2634 WWAJ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering Wajong-uitkering. Voldoende zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek. In de FML is voldoende rekening gehouden met de beperkingen. Geen sprake van risico op een verhoogd ziekteverzuim bij hervatting in passend werk waarbij rekening wordt gehouden met de beperkingen van appellant. Deugdelijk gemotiveerd dat appellant de geselecteerde functies kan vervullen met inachtneming van zijn beperkingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2634 WWAJ

Datum uitspraak: 9 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
2 april 2014, 12/5228 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.L. Wittensleger, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2015. Appellant is verschenen bijgestaan door mr. Wittensleger. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J. Koning.

OVERWEGINGEN

1. Appellant, geboren [in] 1981, heeft op 21 december 2011 een (laattijdige) aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) ingediend in verband met psychische klachten. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Bij besluit van 27 maart 2012 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen en appellant niet in aanmerking gebracht voor een Wajong-uitkering, omdat hij in staat is met werk meer dan 75% van het minimumloon te verdienen. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 13 september 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard, onder verwijzing naar rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het hiertegen namens appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. Appellant kan zich met deze uitspraak niet verenigen en heeft in hoger beroep zijn eerder aangevoerde gronden in overwegende mate herhaald. Appellant voert aan dat hij volledig arbeidsongeschikt is en dat dit is ontstaan op of rond zijn 17e-18e levensjaar, waardoor appellant niet of niet zonder verhoogd verzuimrisico kan functioneren in een werkomgeving. Appellant is van mening dat vanaf zijn 16e dan wel 17e levensjaar een knik in zijn levenslijn is ontstaan, door de ernstige invloed van zijn ziektebeeld op zijn functioneren. Appellant ontwikkelde problemen in sociale relaties, problemen met zijn omgeving, schoolproblemen (gepest worden) en faalangst. Appellant stelt dat dit symptomen zijn van psychische klachten die in zijn jeugd al zo ernstig waren dat die aan het verrichtten van loonvormende arbeid in de weg stonden. Voorts stelt appellant zich op het standpunt dat ten onrechte geen beperkingen zijn aangenomen ten aanzien van handelingstempo, concentratievermogen, urenomvang en

’s nachts werken. Appellant verzoekt de Raad om een deskundige te benoemen om zijn beperkingen vast te stellen. Ter zitting heeft appellant tevens de beroepsgrond herhaald dat het Uwv ten onrechte niet meer beperkingen heeft aangenomen op grond van het gebruik van het medicijn clomipramine. Voorts heeft appellant ter zitting nader toegelicht dat de hoger beroepsgrond over de knik in de levensloop van appellant tevens ziet op de stelling dat de medische situatie van appellant op of rond zijn 17e en 18e levensjaar beduidend slechter was dan nu het geval is.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoende zorgvuldig en volledig is geweest. Uit de onderzoeksbevindingen zijn voldoende gegevens naar voren gekomen om tot een afgewogen oordeel te komen over de voor appellant geldende beperkingen. De verzekeringsarts heeft appellant op 17 februari 2012 op het spreekuur gezien, een anamnese afgenomen en heeft de bij de aanvraag gevoegde informatie van de behandelend sector bij zijn beoordeling betrokken. De verzekeringsarts komt op basis van de door de behandelend sector gegeven diagnoses tot de conclusie dat er bij appellant omstreeks zijn 17e levensjaar en in het heden, sprake is van verminderde benutbare mogelijkheden. De verzekeringsarts heeft in het rapport aangegeven dat het huidige functioneren van appellant ongeveer gelijk is aan het niveau van functioneren rond zijn

17e-18e levensjaar. De verzekeringsarts heeft in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) de beperkingen voor het verrichten van arbeid opgenomen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren van appellant. De verzekeringsarts bewaar en beroep heeft op basis van de door appellant gestelde hoogtevrees en het gebruik van het medicijn clomipramine de FML aangevuld met een beperking ten aanzien van persoonlijk risico (niet op hoogte werken, geen werk met gevaarlijke machines).

4.2.

De rechtbank heeft, onder verwijzing naar het dagverhaal van appellant, met juistheid geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 10 september 2012 voldoende heeft gemotiveerd dat er geen sprake is van geen duurzaam benutbare mogelijkheden. Evenals de rechtbank acht de Raad door de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd dat er geen aanleiding is voor beperkingen ten aanzien van handelingstempo, concentratievermogen, urenomvang en ’s avonds en ’s nachts werken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn aanvullende rapporten van 20 juni 2013,

27 september 2013 en 10 februari 2014 eveneens de door appellant in beroep overgelegde (medische) gegevens beoordeeld en heeft toereikend gemotiveerd dat deze geen aanleiding vormen voor het oordeel dat in de FML onvoldoende rekening is gehouden met de beperkingen die appellant heeft. Hierbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat het gebruik van het medicijn clomipramine enige invloed heeft op de alertheid van appellant en dat (onder meer) op grond hiervan extra beperkingen zijn aangenomen ten aanzien van persoonlijk risico, maar dat de geclaimde concentratieproblemen en het lage handelingstempo niet objectiveerbaar zijn. Voorts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep afdoende toegelicht dat de aandoeningen van appellant gepaard gaan met constant aanwezige beperkingen, zodat er geen sprake is van risico op een verhoogd ziekteverzuim bij hervatting in passend werk waarbij rekening wordt gehouden met de beperkingen van appellant.

4.3.

Voor de ter zitting gestelde tijdelijke verslechtering van de medische situatie van appellant omstreeks zijn 17e -18e levensjaar biedt het dossier medische gezien geen aanknopingspunten.

4.4.

Uitgaande van de juistheid van de FML, is de rechtbank terecht van oordeel gekomen dat appellant in staat moet worden geacht de werkzaamheden te verrichten die zijn verbonden aan de geselecteerde functies. De rechtbank heeft zich bij dat oordeel met juistheid gebaseerd op het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 13 september 2012. In dat rapport is deugdelijk gemotiveerd uiteengezet dat appellant de geselecteerde functies kan vervullen met inachtneming van zijn beperkingen. De gesignaleerde overschrijdingen van de belastbaarheid van appellant zijn voldoende gemotiveerd. Er heeft ook overleg met de verzekeringsarts bezwaar en beroep plaatsgehad.

4.5.

Voor het inschakelen van een deskundige ziet de Raad, gelet op hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen, geen aanleiding.

4.6.

Gezien hetgeen hiervoor is overwogen slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en E. Dijt en L. Koper als leden, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2015.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) N. van Rooijen

CVGs