Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3518

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-10-2015
Datum publicatie
19-10-2015
Zaaknummer
14/3311 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Verzwegen detentie. Artikel 17, eerste lid, van de WWB is een objectief geformuleerde verplichting, waarbij, wat de intrekking betreft, verwijtbaarheid geen rol speelt. Uitsluitend moet worden beoordeeld of appellant zijn detentie had moeten melden en dit heeft nagelaten. Dit laatste is, zoals hiervoor al is vastgesteld, het geval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/3311 WWB

Datum uitspraak: 13 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 april 2014, 14/256 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. dr. G.P. Dayala, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2015. Namens appellant is verschenen mr. Dayala. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. I. van Kesteren.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 5 augustus 2008 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Bij besluit van 18 september 2013 (intrekkingsbesluit), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 december 2013 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant met toepassing van artikel 54, derde lid, van de WWB met ingang van 19 juli 2013 ingetrokken. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant gedurende de periode van 19 juli 2013 tot 19 september 2013 gedetineerd is geweest en dat hij dit niet tijdig heeft gemeld aan het college.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant voert aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat het college geen rekening heeft gehouden met het feit dat het college het intrekkingsbesluit heeft verzonden naar het postadres van appellant dat door het college was ingetrokken. Deze beroepsgrond slaagt niet. Nog daargelaten dat de adressering van het intrekkingsbesluit niet ziet op de totstandkoming van het bestreden besluit en appellant bovendien tijdig bezwaar heeft gemaakt, mist deze beroepsgrond feitelijke grondslag, nu het postadres ten tijde van de verzending van het intrekkingsbesluit nog bestond.

4.2.

Voorts voert appellant aan dat ten onrechte geen hoorzitting heeft plaatsgevonden. Deze beroepsgrond slaagt evenmin. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college appellant, gelet op de uitnodiging van 7 november 2013 om het bezwaar op 20 november 2013 om 11.30 uur telefonisch toe te lichten en het daaropvolgend telefonisch contact tussen het college en het kantoor van mr. Dayala, voldoende gelegenheid heeft geboden om te worden gehoord. Dat appellant van die gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt, komt voor zijn risico.

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant gedurende de hier te beoordelen periode, die loopt van 19 juli 2013 tot en met 18 september 2013, was gedetineerd en dat hij, door daarvan geen melding te maken aan het college, de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden. Appellant voert aan dat hem van deze schending geen verwijt kan worden gemaakt, omdat het voor hem niet mogelijk was melding te maken van zijn detentie. Deze beroepsgrond slaagt niet. Artikel 17, eerste lid, van de WWB is een objectief geformuleerde verplichting, waarbij, wat de intrekking betreft, verwijtbaarheid geen rol speelt. Uitsluitend moet worden beoordeeld of appellant zijn detentie had moeten melden en dit heeft nagelaten. Dit laatste is, zoals hiervoor al is vastgesteld, het geval. Appellant heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat hij geen enkele mogelijkheid had om melding te maken van zijn detentie.

4.4.

Vanaf 1 juli 2013 is het bijstandverlenend orgaan gehouden een besluit tot toekenning van bijstand te herzien, dan wel in te trekken, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Aangezien deze situatie zich hier voordoet, was het college gehouden de bijstand van appellant met ingang van 19 juli 2013 in te trekken.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2015.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) C.M. Fleuren

HD