Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3513

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-10-2015
Datum publicatie
19-10-2015
Zaaknummer
14/3230 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking na opschorting. Geen identiteitsbewijs overgelegd. Verwijtbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/3230 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 24 april 2014, 13/6582 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Huisman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Huisman. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.N. Collignon.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 30 augustus 1996 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Bij brief van 16 april 2013 heeft het college appellant uitgenodigd voor een gesprek op

26 april 2013. Hierbij is appellant, voor zover hier van belang, verzocht om in het kader van een rechtmatigheidsonderzoek zijn legitimatiebewijs mee te nemen. Daarbij is vermeld dat, indien appellant een dubbele nationaliteit heeft, hij beide paspoorten moet meenemen. Appellant is hierop, met bericht van verhindering, niet verschenen.

1.3.

Bij besluit van 7 mei 2013 heeft het college het recht op bijstand van appellant met ingang van 26 april 2013 opgeschort en appellant uitgenodigd voor een gesprek op 17 mei 2013. Hierbij is appellant meegedeeld dat hij, voor zover hier van belang, naar het gesprek alle identiteitsbewijzen moet meenemen. Daarbij is appellant geadviseerd om, ter voorkoming van het beëindigen van de bijstand, alsnog zijn verplichtingen na te komen. Appellant is op het gesprek van 17 mei 2013 verschenen, maar heeft, ook na daartoe later op die dag nogmaals in de gelegenheid te zijn gesteld, geen paspoort overgelegd.

1.4.

Bij besluit van 4 juni 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 5 november 2013 (bestreden besluit), heeft het college, voor zover hier van belang, de bijstand met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB met ingang van 26 april 2013 ingetrokken. Aan de besluitvorming ligt, voor zover hier van belang, ten grondslag dat appellant op 17 mei 2013 geen paspoort heeft overgelegd, waardoor hij zijn verzuim niet binnen de geboden termijn heeft hersteld, en dat dit hem kan worden verweten.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. In dit kader heeft de rechtbank geoordeeld dat het appellant valt te verwijten dat hij zijn paspoort bij het gesprek op 17 mei 2013 niet heeft overgelegd. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen. In de eerste plaats heeft het college volgens vaste rechtspraak om het paspoort (de paspoorten) van appellant mogen vragen om het recht op bijstand te kunnen vaststellen. Het college heeft onbetwist gesteld dat appellant herhaaldelijk heeft nagelaten het college (tijdig) op de hoogte te stellen van zijn verblijf in het buitenland en buiten de gemeentegrens. Voorts heeft het college al in de uitnodiging van 16 april 2013 gevraagd naar het paspoort (de paspoorten) van appellant en heeft het college op 7 mei 2013 gevraagd om alle identiteitsbewijzen. Appellant was er dus van op de hoogte dat hij zijn paspoort moest overleggen, uiterlijk op 17 mei 2013. Dat appellant op 17 mei 2013 (nog) geen aangifte van vermissing van zijn paspoort had gedaan, valt hem te verwijten. Niet is gesteld of gebleken dat appellant voorafgaand aan het gesprek op 17 mei 2013 met het college contact heeft opgenomen, omdat hij zijn paspoort kwijt was. Het college heeft ervan kunnen afzien om appellant extra tijd te gunnen voor het zoeken van zijn paspoort, omdat hij er sinds 16 april 2013 van op de hoogte was dat het college zijn paspoort wilde zien.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant betwist dat het hem valt te verwijten dat hij zijn paspoort bij het gesprek op 17 mei 2013 niet heeft overgelegd. Hij voert aan dat het hem voorafgaand aan het gesprek op 17 mei 2013 niet duidelijk was dat het overleggen van het paspoort zo belangrijk was. Hij had tijdens het gesprek wel zijn rijbewijs bij zich, maar hij kon helaas zijn paspoort niet vinden. Hij heeft tijdens dit gesprek zo goed mogelijk uitgelegd wat er aan de hand was en heeft, toen hij zijn paspoort niet kon vinden, aangifte gedaan van vermissing en een nieuw paspoort aangevraagd. Ook was hem na afloop van het gesprek niet duidelijk dat hij zijn paspoort en zijn identiteitskaart nog moest laten zien. Afgezien daarvan is het paspoort eerst op 31 mei 2013 en de identiteitskaart eerst op 4 juni 2013 afgegeven en had appellant, nu deze documenten pas na vijf werkdagen kunnen worden afgehaald, ten tijde van het intrekkingsbesluit niet de beschikking over deze documenten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van deze gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank, en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, zoals onder 2 samengevat weergegeven, en maakt deze tot de zijne. Hij voegt daaraan nog toe dat de omstandigheid dat appellant ten tijde van het intrekkingsbesluit niet de beschikking had over het op 31 mei 2013 afgegeven paspoort en de op 4 juni 2013 afgegeven identiteitskaart, er niet aan afdoet dat appellant op 17 mei 2013 niet zijn paspoort heeft overgelegd en geen aangifte van vermissing heeft gedaan, terwijl hij er al geruime tijd van op de hoogte was dat hij zijn paspoort moest laten zien.

4.2.

Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2015.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) C.M. Fleuren

HD