Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3507

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-10-2015
Datum publicatie
19-10-2015
Zaaknummer
14/4657 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om een bijstandsuitkering toe te kennen. Onduidelijkheid financiële situatie. Recht niet vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4657 WWB

Datum uitspraak: 13 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 juli 2014, 14/1494 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.T. Offreins, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Offreins. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. S.S. Kisoentewari.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft op 31 juli 2013 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd. Daarbij heeft appellant onder meer aangegeven dat hij geen inkomsten meer heeft en sinds december 2012 geheel werkloos is. Uit het register van de Kamer van Koophandel (KvK) blijkt dat appellant tot 5 augustus 2013 eigenaar was van [naam bedrijf] (bedrijf).

1.2.

Naar aanleiding van de aanvraag hebben handhavingsspecialisten van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam een onderzoek ingesteld naar de financiële situatie van appellant. In dat kader hebben de handhavingsspecialisten onder meer dossieronderzoek verricht, registraties geraadpleegd en appellant op 15 augustus 2013 gehoord. Appellant heeft onder meer verklaard dat hij sinds december 2012 heeft geleefd van klusjes en leningen. Daarnaast heeft hij nog inkomsten uit de verhuur van opslagruimte ontvangen. In december 2012 heeft de deurwaarder in verband met een huurachterstand de sloten van de opslagruimte verwisseld. In mei 2013 konden de personen die opslagruimte hadden gehuurd hun spullen bij de deurwaarder ophalen, waarna de inkomsten uit de verhuur van opslagruimte zijn gestopt. Appellant heeft verklaard dat hij geen boekhouding van zijn bedrijf heeft omdat deze zich in de opslagruimte bevond en is vernietigd door de deurwaarder. Uit de door appellant overgelegde afschriften van zijn ondernemersrekening en privé-bankrekeningen blijkt dat er in de periode van januari 2013 tot en met juli 2013 diverse kasstortingen zijn gedaan, te weten op 30 januari 2013 een bedrag van € 1.200,-, op 28 maart 2013 een bedrag van € 450,-, op 13 mei 2013 een bedrag van € 750,-, op 18 mei 2013 een bedrag van € 350,-, op 28 mei 2013 een bedrag van € 500,- en op 18 juli 2013 een bedrag van € 650,-. Appellant heeft hierover verklaard dat deze bedragen deels afkomstig zijn van zijn neef en deels van [naam] (L), voor het verrichten van klusjes.

1.3.

Appellant is door de handhavingsspecialisten in de gelegenheid gesteld om nader inzicht te geven in zijn financiële situatie. Daarbij is verzocht om een deugdelijke administratie en boekhouding van zijn bedrijf en verifieerbare gegevens van de inkomsten uit verhuur van de opslagruimte en van de geleende bedragen. Appellant heeft geen boekhouding of administratie van zijn bedrijf en evenmin bewijsstukken betreffende de inkomsten uit verhuur en de leningen overgelegd. De handhavingsspecialisten hebben appellant vervolgens op

15 oktober 2013 nader gehoord. Appellant heeft verklaard niet over een boekhouding te kunnen beschikken en de facturen betreffende de verhuur van opslagruimte niet te kunnen vinden. De aan hem als lening verstrekte geldbedragen heeft appellant altijd cash ontvangen en hiervan staat niets op papier. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 17 oktober 2013.

1.4.

Bij besluit van 21 oktober 2013, gehandhaafd bij besluit van 29 januari 2014 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen op de grond dat het recht op bijstand niet is vast te stellen. Appellant heeft geen boekhouding van zijn bedrijf overgelegd en evenmin na december 2012 een administratie bijgehouden van onder meer de door hem na die datum verstuurde facturen voor de verhuur van opslagruimte en ontvangen bedragen voor de klussen die hij voor L heeft verricht. Het overleggen van een boekhouding van een beëindigd bedrijf is van essentieel belang voor het vaststellen van het recht op bijstand. Verder heeft appellant onvoldoende aangetoond dat hij bedragen heeft geleend, nu uit de in bezwaar overgelegde verklaringen geen verplichting tot terugbetaling blijkt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de nader te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 31 juli 2013 tot en met 21 oktober 2013.

4.2.

Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van de bijstandsbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. Daarbij dient de betrokkene duidelijkheid te verschaffen over onder meer zijn financiële situatie. Indien de betrokkene niet aan deze wettelijke inlichtingenverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3.

Vaststaat dat appellant met zijn bedrijf tot 5 augustus 2013 in de KvK stond ingeschreven. Appellant heeft verklaard dat hij in januari en/of februari 2013 nog klussen heeft verricht voor L en hieruit ook inkomsten heeft genoten. Uit de overgelegde bankafschriften blijkt dat appellant in juni 2013, kort voorafgaand aan zijn aanvraag, nog inkomsten heeft ontvangen uit de verhuur van opslagruimte. Daarnaast blijkt dat op de bankrekeningen in de periode voorafgaand aan zijn aanvraag diverse kasstortingen zijn gedaan, waaronder laatstelijk op 18 juli 2013 op de ondernemersrekening van het bedrijf. Vaststaat verder dat appellant geen boekhouding van zijn bedrijf, noch een administratie van de overige door hem ontvangen inkomsten uit de verhuur van opslagruimte heeft overgelegd.

4.4.

Uit 4.3 volgt dat appellant in het geheel geen boekhouding of administratie heeft bijgehouden van de door hem in 2013 verrichte klussen en de ontvangen inkomsten uit de verhuur van de opslagruimte. De beroepsgrond dat appellant in bewijsnood verkeert omdat de deurwaarder na het vervangen van de sloten van de opslagruimte in december 2012 de boekhouding van appellant heeft vernietigd, slaagt niet. Voor zover al zou moeten worden aangenomen dat de boekhouding zou zijn vernietigd, laat dit onverlet dat appellant ook inzicht dient te geven in zijn boekhouding en administratie over de periode na december 2012. De eerst in hoger beroep overgelegde facturen van de verhuur van opslagruimte kunnen niet worden aangemerkt als een inzichtelijke administratie. Appellant heeft verder in hoger beroep leenovereenkomsten overgelegd, waarmee hij heeft geprobeerd zijn financiële situatie te reconstrueren. Ter zitting heeft hij erkend dat het gaat om achteraf opgestelde overeenkomsten en dat de inhoud daarvan niet overeenkomstig de feitelijke situatie is. Tevens heeft appellant ter zitting erkend dat hij de leningen moet terugbetalen, maar aan deze verplichting geen daadwerkelijke invulling heeft gegeven. Aan de in hoger beroep overgelegde leenovereenkomsten kan dan ook niet die waarde worden gehecht die appellant daaraan wenst toe te kennen. Het college heeft dan ook terecht geconcludeerd dat de verklaringen van appellant over de herkomst van de gestorte bedragen op zijn bankrekening bij gebrek aan bewijsstukken onvoldoende controleerbaar en/of verifieerbaar zijn. Omdat appellant geen administratie van zijn inkomsten heeft bijgehouden, is onduidelijk gebleven hoe appellant in de noodzakelijke kosten van het bestaan heeft voorzien.

4.4.

Het niet kunnen beschikken over financiële gegevens welke van belang zijn voor het vaststellen van de bijstandbehoevendheid komt voor risico van appellant. Appellant is niet geslaagd in het verduidelijken van zijn financiële situatie in de periode voorafgaand aan zijn aanvraag. Hieruit volgt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant niet heeft voldaan aan de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting. Het recht op bijstand kan als gevolg daarvan niet worden vastgesteld.

4.5.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van A. Dinzey als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2015.

(getekend) G.M.G. Hink

De griffier is buiten staat te ondertekenen

HD