Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3505

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-10-2015
Datum publicatie
19-10-2015
Zaaknummer
14/2019 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:1438, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om een bijstandsuitkering toe te kennen. Het recht op bijstand valt niet vast te stellen. Onduidelijkheid financiële situatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2019 WWB

Datum uitspraak: 13 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

6 maart 2014, 13/5474 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. E. Yeniasci, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Yeniasci. Als tolk is verschenen M. Cordes. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.H. Nicolai.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen met ingang van 1 januari 1997 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Bij besluit van 19 mei 2011 heeft het college de bijstand van appellanten met ingang van 1 mei 2011 ingetrokken. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellanten beschikken over vermogen in de vorm van onroerend goed in Turkije, waarvan de waarde, getaxeerd op € 213.911,-, ligt boven de voor hen geldende vermogensgrens. Nadat het bezwaar tegen dat besluit en het beroep tegen de beslissing op bezwaar ongegrond waren verklaard, heeft de Raad bij uitspraak van

3 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1629, de uitspraak van de rechtbank tot

ongegrondverklaring van het beroep bevestigd.

1.2.

Appellanten hebben op 18 oktober 2012 opnieuw bijstand aangevraagd. Zij hebben hierbij gesteld dat zij het onroerend goed op 25 juli 2011 hebben verkocht. Op verzoek van het college hebben appellanten diverse stukken overgelegd.

1.3.

Bij besluit van 29 november 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 augustus 2013 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Hieraan ligt ten grondslag dat wegens het niet geven van de gevraagde inlichtingen, die appellanten op grond van

artikel 17, eerste lid, van de WWB gehouden waren te verstrekken, het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.2.

Voor de beoordeling of de aanvrager verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden is de financiële situatie van de aanvrager een essentieel gegeven. De rechtbank heeft terecht overwogen dat appellanten hebben nagelaten de nodige duidelijkheid over hun financiële situatie te verschaffen. Appellanten hebben in het bijzonder nagelaten om, met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd, mee te delen op welke wijze zij de opbrengst van het onroerend goed in Turkije, dat op 25 juli 2011 is verkocht voor een bedrag van € 186.890,35, hebben besteed. Onder deze omstandigheden heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de financiële positie van appellanten zodanig ondoorzichtig was dat niet kon worden vastgesteld dat zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerden. Ook de Raad komt daarom tot de conclusie dat appellanten de op hen rustende wettelijke inlichtingenverplichting hebben geschonden, waardoor hun recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.

4.3.

Voor zover appellanten gronden hebben ingediend en stukken hebben ingebracht met betrekking tot de eigendom en de eigendomsoverdracht van het onroerend goed in Turkije zijn deze gronden en stukken gelijk aan die welke zijn ingediend en ingebracht tegen de

onder 1.1 vermelde uitspraak van de rechtbank. De Raad heeft daarover geoordeeld in zijn eveneens in 1.1 genoemde uitspraak. Er zijn geen aanknopingspunten om daarover thans anders te oordelen. De enkele omstandigheid dat de vader van appellante enkele bedragen heeft betaald aan [naam] , een voormalige eigenaar van het onroerend goed, vormt niet een zodanig aanknopingspunt.

4.4.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.M. Overbeeke als voorzitter en C. van Viegen en

F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2015.

(getekend) A.M. Overbeeke

(getekend) C.M.A.V. van Kleef

HD