Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3488

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-10-2015
Datum publicatie
19-10-2015
Zaaknummer
14/5638 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om een bijstandsuitkering toe te kennen, na eerdere intrekking. Geen wijziging in omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5638 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

1 september 2014, 14/1692 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats 1] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P. Goettsch, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 14/4032 WWB, plaatsgevonden op

11 augustus 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Goettsch. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.M. Diderich. In de gevoegde zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Op 9 augustus 2013 heeft appellant zich gemeld voor het aanvragen van bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 30 augustus 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 november 2013, heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen, op de grond dat uit onderzoek is gebleken dat appellant een gezamenlijke huishouding voert met [naam 1] (H) op het adres

[adres 1] . Bij uitspraak van 3 juni 2014, 13/7515, heeft de rechtbank Amsterdam het beroep tegen het besluit van 11 november 2013 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van heden, 14/4032 WWB, heeft de Raad de afwijzing van de aanvraag van appellant in stand gelaten.

1.2.

Appellant heeft op 8 oktober 2013 bij het college opnieuw een aanvraag ingediend om bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Bij zijn aanvraag heeft appellant vermeld dat hij inwonend is bij [naam 2] op het adres [adres 2] (opgegeven adres) te [woonplaats 2] .

1.3.

Naar aanleiding van de aanvraag van 8 oktober 2013 heeft de afdeling Handhaving van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) een onderzoek ingesteld. In dat kader heeft een handhavingsspecialist van de DWI onder meer dossier- en administratief onderzoek verricht, op 11 november 2013 appellant gehoord en later op die dag op het opgegeven adres een huisbezoek afgelegd. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 12 november 2013.

1.4.

Bij besluit van 13 november 2013 heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen op de grond dat appellant een gezamenlijke huishouding voert met H op het adres [adres 1] .

1.5.

Bij besluit van 11 februari 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 13 november 2013 ongegrond verklaard, onder wijziging van de grondslag, in die zin, dat de aanvraag van 8 oktober 2013 wordt afgewezen op de grond dat het woonadres en de woonsituatie van appellant niet vast te stellen zijn.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In een geval als dit, waarin een nieuwe aanvraag voorligt na een eerdere afwijzing van een bijstandsaanvraag, gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum, ligt het in het algemeen op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat zich sinds de eerdere afwijzing een relevante wijziging in de omstandigheden heeft voorgedaan, in die zin dat inmiddels wel wordt voldaan aan de vereisten om voor algemene of bijzondere bijstand in aanmerking te komen. Met de in 1.1 genoemde uitspraak is komen vast te staan dat appellant en H in de periode van 9 augustus 2013 tot en met 30 augustus 2013 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Het onderhavige geschil spitst zich toe op de beantwoording van de vraag of in de periode gelegen tussen de aanvraagdatum op 8 oktober 2013 en de datum van het besluit van 13 november 2013 (te beoordelen periode) sprake is van een relevante wijziging in de feiten en/of omstandigheden van appellant sinds de eerdere afwijzing van de bijstand over de periode van 9 augustus 2013 tot en met 30 augustus 2013.

4.2.

Appellant heeft niet aangetoond dat in de hier te beoordelen periode sprake was van een relevante wijziging in de omstandigheden als onder 4.1 bedoeld. Appellant heeft op 11 november 2013 tegenover een handhavingsspecialist verklaard dat hij elke nacht op het adres [adres 2] slaapt, maar ook, dat hij rond 09.00 uur vertrekt en rond

23.00

uur weer terug is, dat hij overdag een eigen huis zoekt of bij zijn zoon op het adres [adres 1] is, hij elke dag bij H komt, hij zijn zoontje verschoont, in bad doet, in bed stopt en twee keer in de week naar de kinderopvang brengt, hij gemiddeld vier keer per week bij H eet en op de andere dagen buiten eet met geleend geld van vrienden, dat H kookt als zij samen gaan eten en dat hij dan helpt met de afwas, hij zijn kleding bij H wast, hij op het adres [adres 1] doucht en hij het huis schoonmaakt voor H. De stelling van appellant, dat hij overdag niet alleen op de [adres 1] verbleef, maar ook bij andere kennissen, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat appellant die stelling niet heeft onderbouwd. Verder is van betekenis dat tijdens het huisbezoek op 11 november 2013 op het adres

[adres 2] weinig kleding, en in elk geval geen ondergoed en geen etenswaren zijn aangetroffen. Uit de gedingstukken blijkt verder dat een brief van het college van 14 oktober 2013 gericht aan appellant, twee weken later vanaf het adres [adres 2] retour afzender is gezonden. Het college heeft de aanvraag van appellant om bijstand derhalve terecht afgewezen.

4.3.

Appellant voert aan dat het college de woorden in zijn verklaring van 11 november 2013 verkeerd heeft uitgelegd. Deze beroepsgrond slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) mag een betrokkene, ook indien hij later van een afgelegde verklaring terugkomt in het algemeen aan de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en vervolgens zonder enig voorbehoud ondertekende verklaring worden gehouden. In het opgemaakte verslag van de door appellant afgelegde verklaring blijkt niet dat appellant op enig moment gedurende het gesprek enig voorbehoud heeft gemaakt. Appellant heeft het verslag van de verklaring bovendien per bladzijde ondertekend. Ook is op iedere bladzijde het vakje op de verklaring aangekruist waarachter het volgende is vermeld: “Ik heb kennis genomen van en begrijp bovenstaande verklaring zoals ik deze heb afgelegd. De inhoud van de geschreven verklaring komt overeen met hetgeen ik mondeling heb verklaard.” Ook daarbij heeft appellant geen enkel voorbehoud gemaakt.

4.4.

Uit 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit terecht, maar gelet op 4.1 deels op onjuiste gronden, ongegrond verklaard. De aangevallen uitspraak zal daarom - met verbetering van de gronden - worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2015.

(getekend) M. Hillen

(getekend) C.M.A.V. van Kleef

HD