Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3486

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-10-2015
Datum publicatie
19-10-2015
Zaaknummer
14/3530 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking na opschorting. Het college heeft ... aannemelijk gemaakt dat het opschortingsbesluit daadwerkelijk op die dag bij appellant is bezorgd. De enkele stelling van appellant dat hij het besluit niet heeft ontvangen, vormt onvoldoende aanleiding om aan de juistheid van de verklaring van de consulent te twijfelen. Appellant heeft belang bij een oordeel over de maatregel, omdat hij verzocht heeft om vergoeding van de aan het bezwaar tegen besluit 1 verbonden kosten.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:41
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2015/364
JB 2015/210
USZ 2015/402
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/3530 WWB, 14/3531 WWB

Datum uitspraak: 13 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

22 mei 2014, 13/1381, 13/1382 en 13/1184 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Hoorn (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.T.A.M. Mes, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Mes. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.R. Ooievaar.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft vanaf 8 augustus 2012 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) ontvangen.

1.2.

Volgens een zich onder de gedingstukken bevindend “rapport maatregel” van de gemeente Hoorn van 12 maart 2013 heeft een consulent appellant in het kader van zijn

re-integratie aangemeld voor deelname aan het traject bij Agros en is appellant op 21 januari 2013, 4 februari 2013 en 11 februari 2013 te laat verschenen op afspraken bij Agros.

1.3.

Bij besluit van 25 maart 2013 (besluit 1), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 juni 2013 (bestreden besluit 1), heeft het college de bijstand van appellant bij wijze van maatregel met ingang van 1 april 2013 met 50% verlaagd voor de duur van twee maanden. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant zijn

re-integratieverplichtingen niet voldoende nakomt. Hij is drie keer te laat verschenen op zijn afspraken bij Agros.

1.4.

Bij besluit van 25 april 2013 (besluit 2) heeft het college het recht op bijstand van appellant opgeschort omdat hij de inkomstenverklaring over de maand april 2013 niet uiterlijk op 23 april 2013 had ingeleverd. Zijn casemanager heeft appellant uitgenodigd om dit verzuim te herstellen door deze verklaring op 29 april 2013 te komen inleveren. Appellant is niet verschenen.

1.5.

Bij besluit van 2 juli 2013 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen besluit 2 ongegrond verklaard op de grond dat appellant de inkomstenverklaring over april 2013 niet tijdig heeft ingeleverd.

1.6.

Bij besluit van 16 mei 2013 (besluit 3), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 juni 2013 (bestreden besluit 3), heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 april 2013 beëindigd (lees: ingetrokken) op de grond dat appellant de gevraagde informatie niet binnen de in het opschortingsbesluit gestelde termijn heeft verstrekt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1

niet-ontvankelijk verklaard en de beroepen tegen de bestreden besluiten 2 en 3 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft onder verwijzing naar een informatiefolder van de gemeente Hoorn aangevoerd dat het niet tijdig inleveren van de inkomstenverklaring niet tot opschorting van het recht op bijstand leidt. Uit deze folder blijkt dat het beleid van het college ook ziet op een in Nederland verblijvende bijstandsgerechtigde en niet enkel op een bijstandsgerechtigde die in het buitenland verblijft. Appellant heeft ook aangevoerd dat hij het opschortingsbesluit niet heeft ontvangen. Ten slotte heeft appellant de opgelegde maatregel betwist.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Opschorting en intrekking

4.1.

Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de WWB kan het bijstandverlenend orgaan het recht op bijstand opschorten indien de betrokkene de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, of indien de betrokkene anderszins onvoldoende medewerking verleent.

4.2.

Niet in geschil is dat appellant de inkomstenverklaring over de maand april 2013 op

23 april 2013 moest inleveren en dat deze verklaring op 2 mei 2013 is gestempeld voor ontvangst. Aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB is dan ook voldaan.

4.3.

Wat appellant heeft aangevoerd, vormt geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot opschorting van het recht op bijstand gebruik heeft kunnen maken. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het door het college gehanteerde beleid waarop appellant doelt, en wat is neergelegd in een informatiefolder getiteld “Verblijf buiten Nederland tijdens bijstand” met betrekking tot het niet (tijdig) inleveren van de inkomstenverklaring niet ziet op een bijstandsgerechtigde die in Nederland verblijft, maar op een in het buitenland verblijvende bijstandsgerechtigde.

4.4.

De intrekking van het recht op bijstand berust op artikel 54, vierde lid, van de WWB. Bij de beantwoording van de vraag of het bijstandverlenend orgaan op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB bevoegd is tot intrekking van de aan een betrokkene verleende bijstand, staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt.

4.5.

Vast staat dat appellant de gevraagde inkomstenverklaring niet binnen de in het opschortingsbesluit gestelde termijn heeft ingeleverd. Appellant stelt dat hij het verzuim niet heeft kunnen herstellen omdat hij het opschortingsbesluit niet heeft ontvangen.

4.6.

Indien de geadresseerde stelt dat hij een niet-aangetekend verzonden besluit niet heeft ontvangen, is het volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 2 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU7532) in beginsel aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het besluit wel op het adres van de geadresseerde is ontvangen. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW7796) kan het in een brievenbus deponeren van een besluit voor de toepassing van artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht worden vergeleken met een niet-aangetekende verzending per post. Daarom is het bij betwisting van die deponering aan het college om aannemelijk te maken dat de brieven daadwerkelijk bij appellant zijn bezorgd.

4.7.

In het “rapport opschorting” van 24 mei 2013, opgemaakt door consulent [X.], verklaart deze dat hij samen met handhaver [Y.], in de middag van 25 april 2013, het opschortingsbesluit in de brievenbus van het adres van appellant heeft gedeponeerd. Aan een dergelijk rapport komt in het algemeen belangrijke betekenis toe. Het college heeft daarmee aannemelijk gemaakt dat het opschortingsbesluit daadwerkelijk op die dag bij appellant is bezorgd. De enkele stelling van appellant dat hij het besluit niet heeft ontvangen, vormt onvoldoende aanleiding om aan de juistheid van de verklaring van de consulent te twijfelen.

4.8.

Uit 4.7 volgt dat appellant verwijtbaar heeft verzuimd de gevraagde inkomstenverklaring binnen de in het opschortingsbesluit genoemde termijn over te leggen. Aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB is dan ook voldaan. Het college was bevoegd de bijstand van appellant met ingang van 1 april 2013 in te trekken.

4.9.

Uit 4.8 volgt dat het hoger beroep voor zover dat betrekking heeft op de opschorting van het recht op bijstand en intrekking van de bijstand niet slaagt.

Maatregel

4.10.

De beroepsgrond dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat appellant geen belang heeft bij een oordeel over de maatregel slaagt. Appellant heeft belang bij een oordeel over de maatregel, omdat hij verzocht heeft om vergoeding van de aan het bezwaar tegen besluit 1 verbonden kosten.

4.11.

De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak in zoverre vernietigd dient te worden. Met het oog op een finale geschilbeslechting zal de Raad doen wat de rechtbank had behoren te doen en het beroep gericht tegen de maatregel beoordelen.

4.12.

Appellant is drie maal te laat verschenen op zijn afspraken. Anders dan appellant heeft betoogd kan slecht weer geen reden zijn om te laat te verschijnen. Dit klemt temeer nu de afspraak in de woonplaats van appellant was. Evenmin kan de stelling dat zijn brommer kapot was en dat hij daarom te laat kwam, stand houden, nu appellant dit op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt. Bovendien was appellant al eerder een maatregel opgelegd omdat hij te laat op zijn afspraak was gekomen. Het beroep tegen bestreden besluit 1 is ongegrond.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 980,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van

18 juni 2013 (bestreden besluit 1) niet-ontvankelijk is verklaard;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 18 juni 2013 (bestreden besluit 1) ongegrond;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

- veroordeelt het college in de kosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van

€ 980,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 122,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2015.

(getekend) M. Hillen

(getekend) C.M.A.V. van Kleef

HD