Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3484

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-10-2015
Datum publicatie
19-10-2015
Zaaknummer
14/2305 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking AIO-aanvulling na opschorting. Geen bankgegevens overgelegd. Afwijzing nieuwe aanvraag. Geen nieuwe feiten of bijzondere omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2305 WWB, 14/5352 WWB

Datum uitspraak: 13 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van

13 maart 2014, 13/4618 (aangevallen uitspraak I) en 20 augustus 2014, 14/1665

(aangevallen uitspraak II)

Partijen:

[appellant] en [appellante] te [woonplaats] (appellanten)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. B.G. Meijer, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

De Svb heeft met betrekking tot het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak I een verweerschrift ingediend.

De zaken zijn behandeld ter zitting van 1 september 2015. Voor appellanten is verschenen

mr. Meijer. De Svb heeft zicht laten vertegenwoordigen door mr. M. Sturmans.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen met ingang van 18 november 2010 bijstand, ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening voor ouderen (AIO-aanvulling).

1.2.

De Svb heeft van het Turkse zusterorgaan Sosyal Güvenlik Kurumu (SGK) de melding ontvangen dat aan appellant vanaf 1 juli 2011 een Turks ouderdomspensioen van

59,66 Turkse lira is toegekend. In verband daarmee heeft de Svb appellanten bij brief van

26 juni 2012 verzocht om vóór 25 juli 2012 kopieën van bankafschriften op te sturen van de bankrekening waarop het Turkse pensioen wordt gestort en een toekenningsbeschikking of specificatie waaruit blijkt welk bedrag appellant heeft gekregen. Appellanten hebben op dit verzoek niet gereageerd.

1.3.

Bij besluit van 27 juni 2012 heeft de Svb het Turkse pensioen in mindering gebracht op de AIO-aanvulling.

1.4.

Bij brief van 23 juli 2012 hebben appellanten bezwaar gemaakt tegen de inhouding van het Turkse pensioen. Daarbij is aangevoerd dat het Turkse pensioen betrekking heeft op gewerkte tijden in Turkije.

1.5.

Bij brief van 15 november 2012 heeft de Svb appellanten wederom verzocht om vóór

29 november 2012, de bij brief van 26 juni 2012 gevraagde gegevens in te zenden. Daarbij heeft de Svb appellanten voorgehouden dat zij er rekening mee moeten houden dat wanneer zij niet reageren, de betaling van de AIO-aanvulling stopgezet kan worden. Appellanten hebben op dit verzoek niet gereageerd.

1.6.

Bij besluit van 4 december 2012 heeft de Svb het recht op AIO-aanvulling per die datum opgeschort met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB. Daarbij zijn appellanten in de gelegenheid gesteld om vóór 18 december 2012 de bij brieven van 26 juni 2012 en

15 november 2012 gevraagde gegevens in te zenden.

1.7.

Bij besluit van 17 december 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 juli 2013 (bestreden besluit 1), heeft de Svb de AIO-aanvulling met toepassing van artikel 54,

vierde lid, van de WWB met ingang van 4 december 2012 beëindigd (lees: ingetrokken).

1.8.

Appellanten hebben hangende het bezwaar tegen het besluit van 4 december 2012 een nieuwe aanvraag om een AIO-aanvulling ingediend.

1.9.

Bij besluit van 30 september 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 februari 2014 (bestreden besluit 2), heeft de Svb aan appellanten met ingang van 27 mei 2013 een AIO-aanvulling toegekend.

2. Bij de aangevallen uitspraak I heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak II, voor zover van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 30 september 2013 herroepen en aan appellanten met ingang van 7 mei 2013 een

AIO-aanvulling toegekend tot een bedrag van € 146,36 per maand.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen deze uitspraken gekeerd.

3.1.

In het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak I hebben appellanten, samengevat, aangevoerd dat zij, anders dan de Svb, niet de beschikking hadden over gegevens met betrekking tot het Turkse pensioen, dat de Svb dit pensioen al bij besluit van 27 juni 2012 op de AIO-aanvulling van appellanten in mindering heeft gebracht en dat de Svb wist dat het pensioen niet werd uitbetaald. Derhalve bestond er geen aanleiding de AIO-aanvulling te beëindigen. Voorts hebben appellanten naar voren gebracht dat de Svb niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking van AIO-aanvulling gebruik heeft kunnen maken. Het ging bij het Turkse pensioen slechts om een gering bedrag, en door het uitblijven van de

AIO-aanvulling konden appellanten niet meer in de noodzakelijke kosten van het bestaan voorzien, waardoor schulden zijn ontstaan.

3.2.

In het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak II hebben appellanten een beroep gedaan op bijzondere omstandigheden op basis waarvan de Svb de AIO-aanvulling met terugwerkende kracht vanaf 4 december 2012 had moeten toekennen. Die bijzondere omstandigheden zijn gelegen in de slechte financiële situatie waarin appellanten zijn komen te verkeren als gevolg van de beëindiging van de AIO-aanvulling.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking

4.1.

Voor de toepasselijke wetsartikelen verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak I.

4.2.

Appellanten hebben tegen de opschorting geen rechtsmiddel aangewend, zodat uitsluitend ter beoordeling voorligt of de intrekking van de AIO-aanvulling ingaande 4 december 2012 op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB in rechte stand kan houden.

4.3.

Bij de beantwoording van de vraag of het bijstandverlenend orgaan op grond van

artikel 54, vierde lid, van de WWB bevoegd is tot intrekking van de aan een betrokkene verleende bijstand, staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover de betrokkene niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.

4.4.

De rechtbank heeft op juiste gronden geoordeeld dat de door de Svb in de brieven van

26 juni 2012, 15 november 2012 en de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens van belang zijn voor de verlening van AIO-aanvulling. Verder staat vast dat appellant de gevraagde gegevens niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft ingeleverd. Dat geruime tijd na het intrekkingsbesluit bij de Svb bekend is geworden dat het Turkse pensioen op verzoek van appellanten werd gereserveerd en niet werd uitbetaald, en dat er dus geen bankafschriften waren waarop de betaling van het pensioen te zien was, doet aan het vorenstaande niet af. Appellanten hebben niet gesteld, en evenmin is gebleken, dat zij de Svb niet binnen de gegeven hersteltermijn over de reservering en het niet uitbetalen van het pensioen konden informeren. In de brief van 23 juli 2012 hebben appellanten daarover niets opgemerkt. Dit betekent dat appellanten van het niet tijdig verstrekken van informatie over de gevraagde gegevens een verwijt kan worden gemaakt. Dat de Svb in de bezwaarfase ook door appellanten op de hoogte is gesteld van het niet uitbetalen van het pensioen is ter zake niet relevant. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 16 januari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7575) komt in beginsel geen betekenis toe aan gegevens of stukken die tijdens de bezwaarfase of later alsnog zijn verstrekt. Gelet op het vorenstaande is er geen aanleiding om van dat uitgangspunt af te wijken.

4.5.

Gelet op 4.4 bestaat geen grond voor het oordeel dat de Svb niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken. Dat appellanten als gevolg van die intrekking enige tijd niet over een AIO-aanvulling konden beschikken doet hier niet aan af.

4.6.

Uit 4.4 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak I niet slaagt.

Afwijzing van de nieuwe aanvraag

4.7.

De Svb heeft appellanten bij besluit van 30 september 2013 met ingang van 27 mei 2013 weer een AIO-aanvulling toegekend. De rechtbank heeft de ingangsdatum bepaald op 7 mei 2013. Appellanten willen echter een AIO-aanvulling per 4 december 2012. Onder verwijzing naar de uitspraak van 23 maart 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM0861 bestaat aanleiding onderscheid te maken in twee periodes vanwege het verschil in toetsingskader bij die te onderscheiden periodes.

4.8.

Het recht op AIO-aanvulling over de periode van 4 december 2012 tot en met

17 december 2012 is gelet op 1.5 al eerder beoordeeld. Wat betreft die periode is de vraag aan de orde of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht die betrekking hebben op die periode. Over de periode van 18 december 2012 tot 7 mei 2013, die ligt voor de datum waarop appellanten zich wederom hebben gemeld om AIO-aanvulling aan te vragen en waarover nog geen besluitvorming heeft plaatsgevonden, wordt in beginsel geen

AIO-aanvulling verleend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken wanneer bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.

4.9.

Met betrekking tot de periode van 4 december 2012 tot en met 17 december 2012 hebben appellanten geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden gesteld. Met betrekking tot de periode van 18 december 2012 tot 7 mei 2013 hebben appellanten gesteld dat zij in die periode in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerden. Dit is echter geen bijzondere omstandigheid die verlening van AIO-aanvulling met terugwerkende kracht rechtvaardigt.

4.10.

Uit 4.7 tot en met 4.9 volgt dat het hoger beroep van appellanten niet slaagt. Omdat de rechtbank het onderscheid in twee periodes niet heeft onderkend, zal de aangevallen uitspraak II met verbetering van gronden, voor zover aangevochten, worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt aangevallen uitspraak I en aangevallen uitspraak II voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en M. ter Brugge en

W. van den Brink als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2015.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) J.L. Meijer

HD