Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3481

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-10-2015
Datum publicatie
13-10-2015
Zaaknummer
14/3910 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:4400, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid en de conclusie van de verzekeringsarts. De verzekeringsarts heeft met de door appellant genoemde klachten uitgebreid rekening gehouden. Of deze klachten nu voortvloeien uit psychopathologie of deels ook zijn toe te schrijven aan de medicatie doet daar niet aan af. Door de arbeidsdeskundige is voldoende inzichtelijk en overtuigend onderbouwd dat de belasting in de geduide functies de mogelijkheden van appellant niet te boven gaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/3910 WIA

Datum uitspraak: 9 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

4 juni 2014, 13/7789 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Haze, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend met een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 juli 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Haze. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. R.A. Kneefel.

OVERWEGINGEN

1.1

Appellant, werkzaam als onderhoudsmedewerker bij [naam werkgever B.V.], heeft zich met ingang van 1 september 2011 ziek gemeld met psychische klachten. Op 17 juni 2013 heeft hij een uitkering aangevraagd op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

1.2.

Bij besluit van 29 oktober 2013 heeft het Uwv na een medisch en arbeidskundig onderzoek deze aanvraag vanaf 3 september 2013 afgewezen.

1.3.

In bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanvullende beperkingen aangenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 17 oktober 2013. Na onderzoek door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft het Uwv bij besluit van 29 oktober 2013 (bestreden besluit) vastgesteld dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is vanaf

3 september 2013 en het bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant staande gehouden dat hij op medische en arbeidskundige gronden niet in staat kan worden geacht de geselecteerde functies te vervullen. Appellant wijst erop dat de minst geringe beweging al kan leiden tot hevige pijnen, waardoor hij genoodzaakt is perioden van activiteit te compenseren met perioden van inactiviteit. Appellant voert voorts aan dat hij al jarenlang afhankelijk is van de, door zijn behandelend psychiater voorgeschreven, medicijnen Lorazepam en Venlafaxine. Deze medicijnen, en met name Lorazepam, veroorzaken vermoeidheid, krachteloosheid in de spieren en maagklachten. Niet valt in te zien waarom deze aspecten niet zijn meegewogen, dan wel beoordeeld door de verzekeringsarts bezwaar en beroep en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

3.2.

Het Uwv heeft, onder overlegging van een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 30 maart 2015, verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

De rechtbank heeft met juistheid de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven. In het bijzonder is er geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid en de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 17 oktober 2013. Deze verzekeringsarts heeft op grond van aanwezigheid op hoorzitting, dossierstudie, informatie van de behandelend sector en eigen onderzoek gemotiveerd uiteengezet dat geen sprake is van de situatie van geen duurzame benutbare mogelijkheden of van een urenbeperking conform de standaard ‘verminderde arbeidsduur’. De verzekeringsarts heeft mede naar aanleiding van de informatie van de behandelend psychiater A. Gaspar-Dicklu en psycholoog S. van ’t Wout van 9 oktober 2013 forsere beperkingen opgenomen in de FML voor stressvolle situaties. Dat voor appellant meer of andere beperkingen zouden moeten gelden dan in de FML van 17 oktober 2013 zijn opgenomen, is verder door appellant niet met medische gegevens onderbouwd. Het in hoger beroep overgelegde overzicht van verstrekte medicatie over de periode 15 oktober 2012 tot en met 14 april 2014 maakt deze beoordeling niet anders. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarover in zijn nader rapport van 30 maart 2015 het volgende aangevoerd. Het gebruik van deze medicatie was reeds bekend bij de primaire verzekeringsarts. Voorts blijkt uit de brief van Ortys depressie centrum van 9 oktober 2013 dat de klachten van appellant door een combinatie van deze medicatie en individuele therapie waren afgenomen. Over ervaren bijwerkingen van de medicatie is nimmer gerept en deze zijn kennelijk ook geen aanleiding geweest om van medicatie te veranderen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wijst er ten slotte nog op dat met de door appellant genoemde klachten uitgebreid rekening is gehouden. Of deze klachten nu voortvloeien uit psychopathologie of deels ook zijn toe te schrijven aan de medicatie doet daar niet aan af.

4.2.

Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde medische beperkingen moet appellant in staat worden geacht de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde functies te vervullen. Door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is voorts voldoende inzichtelijk en overtuigend onderbouwd dat de belasting in deze functies de in de FML van 17 oktober 2013 vastgelegde mogelijkheden van appellant niet te boven gaat.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.E. Bakker en

G. van Zeben - de Vries als leden, in tegenwoordigheid van M. Crum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2015.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) M. Crum

MK