Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3478

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-10-2015
Datum publicatie
13-10-2015
Zaaknummer
14/1201 Wajong
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om terug te komen van het besluit, waarbij Wajong-uitkering is geweigerd. Geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Appellant komt ook niet ingevolge artikel 3:21, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Wajong, in aanmerking voor een uitkering, omdat hij niet voldoet aan de voorwaarde van het bij einde wachttijd ongeschikt zijn voor het verrichten van zijn arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/1201 Wajong

Datum uitspraak: 2 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 januari 2014, 13/3363 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Aerts, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2015. Appellant en mr. Aerts zijn, na bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

M.J.H. Maas.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is geboren [in] 1990. Hij heeft een op 8 oktober 2009 gedateerde aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).

1.2.

Het Uwv heeft bij besluit van 7 december 2009 die aanvraag afgewezen, onder de overweging dat appellant vanaf zijn zeventiende verjaardag, 25 maart 2007, niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest. Subsidiair stelde het Uwv dat appellant vanaf

25 maart 2008 minder dan 25% arbeidsongeschikt werd bevonden. Aan dit besluit heeft het Uwv onder andere ten grondslag gelegd een rapport van een verzekeringsarts van het Uwv van 30 november 2009. Deze arts heeft daarin een zwak capaciteitenniveau en een forse leerachterstand van appellant vermeld en heeft de mogelijkheden en beperkingen van appellant voor het verrichten van arbeid op zeventien/achttien-jarige leeftijd vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 26 november 2009.

1.3.

Appellant heeft een op 6 september 2012 gedateerde aanvraag ingediend in het kader van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong), met als bijlage een rapport van 6 juni 2012 van Ampla, opgesteld door de klinisch psychologen P. du Jour en J.A.M. Verlinden en de psycholoog E. van Erp (Ampla-rapport). Die aanvraag is door het Uwv opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 7 december 2009.

1.4.

Bij besluit van 8 november 2012 heeft het Uwv het verzoek om terug te komen van het besluit van 7 december 2009 afgewezen, onder de overweging dat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die ertoe leiden dat de genomen beslissing onjuist zou zijn. Hieraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd een rapport van 19 oktober 2012 van een verzekeringsarts van het Uwv, waarin is gesteld dat appellant in 2009 al bekend was met een zwak tot zeer zwak cognitief functieniveau.

1.5.

Tegen het besluit van 8 november 2012 heeft appellant bezwaar gemaakt. Hangende het bezwaar heeft appellant overgelegd een eigen verklaring van 5 december 2012, een

e-mailbericht van 26 maart 2013 van zorgconsulent M. Teeuwen, werkzaam bij MEE Regio Tilburg en een e-mailbericht van 28 maart 2013 van individueel begeleidster [naam] , werkzaam bij [naam winkel] .

1.6.

Bij besluit op bezwaar van 1 mei 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Hieraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd het rapport van 24 april 2013 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep.

1.7.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, onder overlegging van een beschikking indicatie WSW van 23 april 2013 en een brief van 17 december 2013 van Versteijnen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Er is volgens de rechtbank geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3.1.

In hoger beroep heeft appellant, samengevat, aangevoerd dat het Uwv ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om terug te komen van het besluit van 7 december 2009 en over te gaan tot een nieuwe, inhoudelijke beoordeling van de aanvraag van 8 oktober 2009. Ter onderbouwing wijst appellant op de in beroep overgelegde beschikking indicatie WSW van 23 april 2013. Ten onrechte heeft de rechtbank nagelaten de Wet Wajong toe te passen en heeft zij niet getoetst of appellant aanspraak kan maken op één van de regelingen uit die wet.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

4.1.

Uit de uitspraak van de Raad van 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1, blijkt dat een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking moet worden beoordeeld.

4.2.

Uit het beroepschrift leidt de Raad af dat appellant met de aanvraag van 6 september 2012 heeft beoogd dat het Uwv terugkomt van het besluit van 7 december 2009. Daarnaast heeft hij een beroep willen doen op een regeling voor toegenomen arbeidsongeschiktheid en heeft hij om herziening verzocht voor de periode na zijn aanvraag van 6 september 2012.

4.3.

Voor zover het verzoek betrekking heeft op de datum waarop het oorspronkelijke besluit zag, is appellant overeenkomstig artikel 4:6 van de Awb gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan te dragen.

4.4.

Bij haar toetsing van het bestreden besluit heeft de rechtbank wat betreft artikel 4:6 van de Awb het juiste toetsingskader gehanteerd. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant bij zijn aanvraag van 6 september 2012 geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld in de zin van artikel 4:6 van de Awb. In het bijzonder zijn er geen nieuwe medische feiten over de gezondheidssituatie van appellant op en na zijn zeventiende verjaardag naar voren gebracht. Het door appellant bij zijn verzoek overgelegde Ampla-rapport ziet niet op de gezondheidstoestand van appellant op zeventien/achttien-jarige leeftijd en bevat evenmin nieuwe gezichtspunten over appellants arbeidsongeschiktheid per 25 maart 2007. Ook het e-mailbericht van 26 maart 2013 van Teeuwen en het e-mailbericht van 28 maart 2013 van Versteijnen zien niet op de gezondheidstoestand van appellant op

zeventien/achttien-jarige leeftijd. De eigen verklaring van appellant van 5 december 2012 mist de blijkens het toepasselijke arbeidsongeschiktheidscriterium vereiste objectiviteit. Gelet hierop heeft het Uwv hierin terecht geen aanleiding gezien om het oorspronkelijke besluit te herzien. Voorts heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de namens appellant in beroep overgelegde informatie buiten beschouwing moet worden gelaten bij de vraag of zich nieuwe feiten of veranderde omstandigheden voordoen die zien op de gezondheidstoestand van appellant op zeventien-jarige leeftijd en bij het einde van de wachttijd (zie onder andere de uitspraak van de Raad van 3 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2191).

4.5.1.

Voor zover appellant met de aanvraag een melding heeft beoogd te doen in verband met toeneming van arbeidsongeschiktheid, zal hij feiten of omstandigheden moeten aandragen die deze aanvraag ondersteunen. Het Uwv heeft niet onderzocht of er aanleiding bestaat in verband met toegenomen arbeidsongeschiktheid een uitkering toe te kennen. Er zijn echter voldoende gegevens beschikbaar om tot een eindoordeel te komen.

4.5.2.

In artikel 3:6, eerste lid, van de Wet Wajong is het volgende bepaald:

“De jonggehandicapte, bedoeld in artikel 3:3, heeft geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering indien hij de aanvraag, bedoeld in artikel 3:28, voor het eerst heeft ingediend op of na de datum van inwerkingtreding van de wet van 3 december 2009 tot wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten in verband met het bevorderen van de participatie van jonggehandicapten door werk en arbeidsondersteuning.”

4.5.3.

Nu appellant zijn aanvraag voor het eerst heeft ingediend voor 1 januari 2010 moet, gelet op artikel 3:6 van de Wet Wajong, het geschil beoordeeld worden aan de hand van de bepalingen van hoofdstuk 3 van die wet.

4.5.4.

In artikel 3:21, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Wajong is het volgende bepaald:

“Indien de jonggehandicapte:

a. […]

b. die aan het einde van de wachttijd, bedoeld in artikel 3:3, eerste lid, ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling, maar geen recht had op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat hij niet arbeidsongeschikt was; binnen vijf jaar na de datum van die intrekking dan wel binnen vijf jaar na het bereiken van die wachttijd arbeidsongeschikt wordt en deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die waaruit de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten dan wel als die op grond waarvan hij ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling voortkomt, vindt toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats, zodra die arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.”

4.5.5.

Appellant was aan het einde van de wachttijd niet ongeschikt voor zijn arbeid. Met de aan het besluit van 7 december 2009 ten grondslag gelegde functies was hij immers in staat om ten minste het minimumloon te verdienen, waaruit volgt dat hij geschikt was voor de maatmanarbeid. Hieruit volgt dat appellant niet ingevolge artikel 3:21, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Wajong, in aanmerking komt voor een uitkering, omdat hij niet voldoet aan de voorwaarde van het bij einde wachttijd ongeschikt zijn voor het verrichten van zijn arbeid. Zie voor vaste rechtspraak de uitspraak van de Raad van 9 oktober 2013, (ECLI:NL:CRVB:2013:2094).

4.6.

Voor zover de aanvraag van 6 september 2012 de periode daarna betreft, bevat de informatie die appellant uiterlijk in de bezwaarfase heeft overgelegd geen nieuwe medische gezichtspunten die zien op de voor het oorspronkelijke besluit geldende beoordelingsdatum van 25 maart 2007, zodat er voor het Uwv geen aanleiding was tot nader onderzoek. Nu de aanvraag niet uiterlijk in de bezwaarfase toereikend is gemotiveerd, moeten de in beroep aangedragen bewijsstukken buiten beschouwing worden gelaten. De Raad concludeert dat de aanvraag, voor zover die de toekomst betreft, niet tot een voor appellant gunstiger besluit had kunnen leiden.

5. De overwegingen in 4.1 tot en met 4.6 leiden tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, zij het met verbetering van gronden.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding,

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2015.

(getekend) C.W.J. Schoor

(getekend) J.R. van Ravenstein

NK