Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3470

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-10-2015
Datum publicatie
13-10-2015
Zaaknummer
13/606 AWBZ-S
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om materiële en immateriële schadevergoeding.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 106
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2015/375
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/606 AWBZ-S

Datum uitspraak: 7 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellanten] , laatstelijk wonende te [woonplaats] (appellanten)

CIZ

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft [naam] , mede-erfgenaam en gemachtigde van appellanten, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 18 december 2012, 11/2943, in het geding tussen appellanten en CIZ.

Op 10 september 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3005) heeft de Raad uitspraak gedaan op dit hoger beroep. Daarbij is het onderzoek heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van appellanten om schadevergoeding.

Bij brief van 16 november 2014 hebben appellanten een toelichting gegeven op hun verzoek om schadevergoeding, waarop CIZ bij brief van 4 februari 2015 heeft gereageerd.

Desgevraagd hebben appellanten bij brieven van 14 maart 2015 en 24 mei 2015 een reactie ingestuurd, waarop CIZ bij brief van 24 juli 2015 heeft gereageerd.

De Raad heeft met toestemming van partijen bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De uitspraak van de Raad van 10 september 2014 betrof een procedure tussen appellanten en CIZ die betrekking had op een verzoek om schadevergoeding, voortkomend uit de besluitvorming van CIZ over de aanspraken van [betrokkene] (betrokkene) op zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). In genoemde uitspraak is geoordeeld dat de indicatiebesluiten van 10 maart 2011 en

28 juni 2011 onrechtmatig zijn en dat deze onrechtmatigheid aan CIZ moet worden toegerekend.

2. Appellanten stellen materiële en immateriële schade te hebben geleden door de onjuist gebleken indicatiebesluiten van CIZ.

3. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is voor vergoeding van schade vereist dat de gestelde schade verband houdt met het onrechtmatige besluit en verder dat alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen die in een zodanig verband staan met dat besluit dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend. Bij de beoordeling of toegerekend moet worden acht de Raad ook de aard en strekking van het vernietigde besluit een relevante factor.

4. Allereerst hebben appellanten verzocht om vergoeding van materiële schade. Deze bestaat uit het niet tot uitbetaling kunnen komen van de bedragen van het persoonsgebonden budget (pgb) die verband houden met de uit de indicatiebesluiten voortvloeiende extra zorguren zoals die uiteindelijk zijn geïndiceerd bij besluit van 6 oktober 2011. Volgens appellanten weigert het Zorgkantoor het pgb na te betalen, omdat appellanten hierover geen verantwoording kunnen afleggen. Dit wordt veroorzaakt doordat de Sociale verzekeringsbank en het Zorgkantoor alleen pgb-betalingen verrichten op de bankrekening van de budgethouder. Omdat deze rekening na het overlijden van betrokkene is opgeheven, kunnen geen salarisbetalingen uit het pgb aan [naam] plaatsvinden ten titel van door hem aan betrokkene verleende meerzorg, waardoor geen salarisspecificaties aan het Zorgkantoor kunnen worden overgelegd.

5. CIZ heeft betwist dat zij gehouden is tot vergoeding van de gestelde materiële schade.

6. Voor zover al kan worden vastgesteld dat appellanten niet in staat zijn tot het afleggen van een afdoende verantwoording van de hier bedoelde zorgkosten en moet worden geoordeeld dat deze omstandigheid voor rekening van CIZ komt, is de Raad van oordeel dat appellanten hun schade onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt. De door appellanten overgelegde brief van 26 april 2011 van Start People B.V. waarin is vermeld dat aan [naam] onbetaald verlof is verleend in verband met de zorg voor betrokkene, biedt onvoldoende concrete aanknopingspunten om daaruit af te kunnen leiden in welke omvang de door [naam] aan betrokkene verleende zorg betrekking had op de ten onrechte door CIZ niet-geïndiceerde uren en welke kosten hiermee waren gemoeid. Deze schadepost komt dan ook niet voor vergoeding in aanmerking.

7. Voorts hebben appellanten materiële schadevergoeding gevorderd voor de eigen bijdrage voor het medicijn oxazepam, welk medicijn door [naam] is gebruikt in verband met zijn psychische klachten. Gezien hetgeen hierna in overweging 11 wordt geoordeeld, kan van toerekening van deze schade aan CIZ geen sprake zijn.

8. Verder hebben appellanten vergoeding van immateriële schade gevorderd. Zij hebben aangevoerd dat het verkrijgen van de juiste indicaties van CIZ psychisch belastend voor hen is geweest.

9. CIZ heeft betwist dat zij gehouden is een bedrag aan immateriële schadevergoeding te betalen.

10. Volgens vaste rechtspraak heeft een benadeelde voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, overeenkomstig artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

11. Voor zover de vordering betrekking heeft op schade die appellanten hebben geleden wegens lichamelijk letsel, waaronder psychisch letsel, geldt dat immateriële schade ten gevolge van besluitvorming door CIZ over de omvang van te indiceren AWBZ-zorg alleen kan worden gevorderd door degene tot wie de besluiten zijn gericht, in dit geval betrokkene. Niet gebleken is dat betrokkene op enig moment heeft laten blijken dat zij genoegdoening voor ander nadeel dan vermogensschade heeft willen vorderen. Hieruit volgt dat appellanten geen recht hebben op vergoeding van immateriële schade.

12. Het voorgaande leidt ertoe dat het verzoek om schadevergoeding moet worden afgewezen.

13. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en W.H. Bel en L.J.A. Damen als leden, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2015.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) J.R. van Ravenstein

CVG