Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3467

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-10-2015
Datum publicatie
19-10-2015
Zaaknummer
14/4239 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag ten onrechte buiten behandeling gelaten. Geen sprake van een incomplete aanvraag. Geen onduidelijkheid. Schending inlichtingenverplichting.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2015/374
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4239 WWB

Datum uitspraak: 6 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

19 juni 2014, 14/400 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Elburg (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N. Köse-Albayrak, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door E. Kiraç, kantoorgenoot van mr. Köse-Albayrak. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door C.C. Treurniet.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant en [X.] ([X.]) hebben zich op 14 mei 2013 gemeld om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) aan te vragen en deze aanvraag vervolgens ingediend.

1.2.

Blijkens een rapport van de Sociale Recherche, regio Noord-Veluwe, (sociale recherche) van 25 juli 2013 heeft een consulent naar aanleiding van de aanvraag een gesprek gehad met appellant en [X.], waarbij appellant en [X.] onder meer hebben verklaard dat zij woonden op [de camping] te [C.]. Vervolgens heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld. In dat kader is onder meer dossieronderzoek uitgevoerd, een waarneming gedaan bij de camping te [C.], appellant verhoord en een vertegenwoordiger van [Z.] gehoord.

1.3.

Het college heeft vervolgens appellant en [X.] bij brief van 26 juli 2013 verzocht voor

9 augustus 2013 bewijsstukken over hun verblijfplaats in Almere te overleggen. Tevens is hen daarbij meegedeeld dat de aanvraag buiten behandeling kan worden gesteld wanneer zij daaraan geen (tijdig) gevolg geven. Appellant heeft op 5 augustus 2013 aan het college een overzicht van zijn verblijfadressen in Leystad en Almere overgelegd.

1.4.

Bij besluit van 13 augustus 2013 heeft het college de aanvraag van appellant en [X.] met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld, op de grond dat het verblijfadres van [X.] onduidelijk is gebleven en bovendien onduidelijk is gebleven waar appellant en [X.] vanaf 5 augustus 2013 hebben verbleven.

1.5.

Bij besluit van 4 december 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 13 augustus 2013 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit, zoals ter zitting van de rechtbank van de kant van het college nader is toegelicht, heeft het college primair ten grondslag gelegd dat de aanvraag van appellant en [X.] buiten behandeling moet worden gesteld op de grond dat de verstrekte inlichtingen onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Subsidiair heeft het college aan dat besluit ten grondslag gelegd dat de aanvraag moet worden afgewezen op de grond dat onduidelijkheid bestond over een bus en een blauwe Mercedes die bij de stacaravan van appellant en [X.] op de camping geparkeerd stonden, alsmede over het bij het college bestaande vermoeden dat appellant op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtte. Appellant is tijdens een gesprek met de sociale recherche op

25 juli 2013 in de gelegenheid gesteld om over het een en ander informatie te verstrekken, doch hij heeft het gesprek afgebroken en is weggelopen. Appellant en [X.] hebben dan ook niet voldaan aan de inlichtingenverplichting van artikel 17 eerste lid, van de WWB, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij geoordeeld dat de buiten behandelingstelling van de aanvraag stand houdt. Aan een bespreking van de subsidiaire grondslag van het bestreden besluit is de rechtbank niet toegekomen.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft, samengevat, aangevoerd dat hij het college ten alle tijde heeft voorzien van stukken waarover hij op dat moment redelijkerwijs kon beschikken en dat hij te allen tijde heeft meegewerkt om het college in staat te stellen het recht op bijstand te kunnen vaststellen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2,

tweede lid, van de Awb, gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.2.

Het college heeft in dit geval ten onrechte toepassing gegeven aan artikel 4:5, eerste lid, van de Awb. Met het onder 1.2 weergegeven onderzoek, dat mede heeft geleid tot het door het college subsidiair ingenomen standpunt, verkeerde het college reeds in het stadium van de inhoudelijke beoordeling van de aanvraag. De fase waarin redelijkerwijs nog kan worden gesproken van een incomplete aanvraag was daarmee gepasseerd.

4.3.

Het bestreden besluit kan echter stand houden op basis van wat daaraan subsidiair ten grondslag is gelegd.

4.4.

De te beoordelen periode loopt van 14 mei 2013 tot en met 4 december 2013.

4.5.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.6.

Appellant heeft aangevoerd dat hij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden, omdat hij voldoende duidelijkheid heeft verschaft over zijn woon- en leefsituatie. Deze beroepsgrond slaagt niet. Directe aanleiding om appellant en [X.] uit te nodigen voor een gesprek op 25 juli 2013 was de omstandigheid dat appellant in het verleden automonteur is geweest en de consulent tijdens een gesprek met appellant en [X.] had waargenomen dat de handen van appellant onder de olie en het vet zaten. In de te beoordelen periode stonden volgens opgave van appellant en [X.] geen voertuigen op naam van appellant. Bij het college bestond daarom het vermoeden dat appellant op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtte. Verder wilde het college duidelijkheid over een bus en een blauwe Mercedes die volgens op 12 en 18 juli 2013 tegenover de sociale recherche afgelegde verklaringen van een vertegenwoordiger van [Z.] normaal gesproken bij de stacaravan van appellant en [X.] stonden geparkeerd en waarvan zij volgens die verklaring gebruik maakten. Ten slotte is uit de op naam van appellant en [X.] staande bankafschriften gebleken dat in de periode van 2 maart 2013 tot en met 28 juni 2013 voor een totaalbedrag van € 723,- aan betalingen bij tankstations is gedaan. Op basis daarvan was bij het college

- terecht - twijfel gerezen over de woon- en leefsituatie van appellant en [X.]. Om die reden dienden appellant en [X.] tijdens het gesprek op 25 juli 2013 nadere informatie te verstrekken. Vaststaat dat appellant tijdens het gesprek is weggelopen voordat de sociaal rechercheur hem kon bevragen over de hiervoor genoemde aspecten. [X.], die in de hal van het gemeentehuis zat te wachten, verliet met appellant het gemeentehuis. Door te vertrekken heeft appellant de voor het vaststellen van het recht op bijstand relevante vragen onbeantwoord gelaten. Hieruit volgt dat appellant de op hem rustende inlichtingen- en medewerkingsverplichting heeft geschonden.

4.7.

Uit 4.5 en 4.6 volgt dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet slaagt, zodat deze uitspraak met verbetering van gronden zal worden bevestigd, voor zover aangevochten. De rechtbank is, zoals uit 4.5 en 4.6 blijkt, immers op zichzelf bezien terecht tot de conclusie gekomen dat het beroep ongegrond is.

5. Er bestaat wel aanleiding voor een veroordeling van het college in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten bedragen € 980,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van

€ 980,-;

- bepaalt dat het college het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 122,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en Y.J. Klik en

A.M. van der Leeden als leden, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2015.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) V. van Rij

HD