Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3458

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-10-2015
Datum publicatie
13-10-2015
Zaaknummer
13-6760 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anticumulatie en terugvordering WAO-uitkering wegens inkomsten uit arbeid. Het kon appellante redelijkerwijs duidelijk zijn dat haar inkomsten van invloed zouden kunnen zijn op de hoogte van haar uitkering. Het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel verzetten zich niet tegen de toepassing met terugwerkende kracht van artikel 44 van de WAO. Geen dringende reden om van terugvordering af te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/6760 WAO

Datum uitspraak: 2 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

20 november 2013, 13/3062 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.P.J. van de Griend hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft een medische verklaring in het geding gebracht, waarop namens het Uwv is gereageerd door de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 21 augustus 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van de Griend. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Aan appellante is per 7 juli 2008 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na herbeoordeling is de uitkering van appellante bij besluit van 15 juli 2010 ongewijzigd voortgezet. Appellante is per 1 augustus 2011 in dienst getreden bij de [Stichting] .

1.2.

In verband met de door appellante verkregen inkomsten uit arbeid heeft het Uwv bij besluit van 5 februari 2013 aan appellante medegedeeld dat zij over de periode 1 augustus 2011 tot en met 31 januari 2013 een lagere WAO-uitkering had moeten ontvangen. Bij besluit van eveneens 5 februari 2013 heeft het Uwv de onverschuldigd betaalde WAO-uitkering over de periode van 1 augustus 2011 tot en met 31 januari 2013 ten bedrage van € 7.838,87 bruto van appellante teruggevorderd.

1.3.

Bij besluit van 31 mei 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 5 februari 2013 ongegrond verklaard.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en haar verzoek om schadevergoeding afgewezen.

2.2.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het appellante redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat aan haar een te hoog bedrag aan uitkering werd verstrekt. Hierbij heeft de rechtbank onder meer van belang geacht dat appellante vanaf augustus 2011 naast haar WAO-uitkering een bedrag aan salaris ontving van ongeveer € 500,- bruto per maand. Appellante had moeten beseffen dat het ontvangen van deze - niet geringe - inkomsten gevolgen zou hebben voor haar

WAO-uitkering, die ongeveer € 1.283,- bedroeg. Dat de uitkering pas na 1,5 jaar is verlaagd doet hier niet aan af, omdat dit niet maakt dat het appellante redelijkerwijs niet duidelijk was dan wel kon zijn dat aan haar teveel uitkering werd verstrekt. De WAO-uitkering kon dan ook met terugwerkende kracht worden verlaagd. Volgens de rechtbank heeft appellante aan het enkele tijdsverloop niet het vertrouwen kunnen ontlenen dat het teveel betaalde aan

WAO-uitkering niet zou worden teruggevorderd. Van dringende reden waarom het Uwv van terugvordering heeft moeten afzien is de rechtbank niet gebleken.

3. Appellante heeft in hoger beroep haar in eerste aanleg aangevoerde grieven in essentie herhaald.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Bij het bestreden besluit heeft het Uwv de toepassing van artikel 44 van de WAO gehandhaafd. Het betreft de anticumulatie van de inkomsten uit arbeid van appellante met de aan haar toegekende WAO-uitkering.

4.2.

Zoals Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 5 november 2008 (ECLI:NL:CRVB:2008:BG3717), staan de bewoordingen, doel en strekking van artikel 44 van de WAO er in beginsel niet aan in de weg dat dit artikel met terugwerkende kracht wordt toegepast. Indien met toepassing van artikel 44 van de WAO inkomsten uit arbeid worden geanticumuleerd, zal immers in de regel sprake zijn van anticumulatie met terugwerkende kracht.

4.3.

Dat artikel 44 van de WAO in beginsel met terugwerkende kracht kan worden toegepast, laat evenwel onverlet dat de toepassing van dit artikel onder omstandigheden in strijd kan zijn met het beginsel van rechtszekerheid, dan wel een (andere) ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel. Daarvan is echter geen sprake indien de betrokkene wist dan wel redelijkerwijs kon weten dat de inkomsten uit arbeid van invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of het bedrag dat daarvan wordt uitbetaald.

4.4.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het appellante redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat haar inkomsten vanaf 1 augustus 2011 van invloed zouden kunnen zijn op de hoogte van haar uitkering. Appellante is met ingang van 1 augustus 2011 gaan werken bij de [Stichting] . Niet is betwist dat de inkomsten uit die werkzaamheden globaal € 500,00 bruto per maand bedroegen. Gedurende de hele periode in geding, zijnde 1 augustus 2011 tot en met 31 januari 2013, werd de WAO-uitkering, globaal € 1.200,00 bruto per maand, ongekort uitbetaald. Gelet op de hoogte van de arbeidsinkomsten in vergelijking met de WAO-uitkering had het appellante duidelijk moeten zijn dat deze inkomsten van invloed konden zijn op haar WAO-uitkering.

4.5.

Ook de door appellante aangevoerde grond dat, gelet op alle omstandigheden van het geval, het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel zich tegen de toepassing met terugwerkende kracht van artikel 44 van de WAO verzetten, treft geen doel. De Raad is met de rechtbank en in navolging van het Uwv van oordeel dat van de zijde van het Uwv geen rechtens relevante toezeggingen zijn gedaan op grond waarvan appellante erop mocht vertrouwen dat haar inkomsten niet van invloed zouden zijn op haar recht op uitkering. Ook de stelling van appellante dat het Uwv niet naar behoren heeft gereageerd op de mededeling van appellante dat zij ging werken in WSW-verband - wat daar ook van zij - is daarvoor onvoldoende. Dit brengt de Raad tot de conclusie dat het Uwv met terugwerkende kracht tot

1 augustus 2011 toepassing heeft kunnen geven aan artikel 44 van de WAO.

5.1.

Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.5 staat vast dat de aan appellante toegekende WAO-uitkering over de periode van 1 augustus 2011 tot en met 31 januari 2013 (deels) onverschuldigd is betaald.

5.2.

Ingevolge artikel 57 van de WAO wordt hetgeen onverschuldigd is betaald van belanghebbende teruggevorderd. Het vierde lid van artikel 57 bepaalt dat indien daarvoor dringende reden aanwezig zijn het Uwv kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

5.3.

Blijkens de wetsgeschiedenis kunnen dringende reden zoals bedoeld in artikel 57, vierde lid, van de WAO slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de sociale of financiële gevolgen die voor betrokkene als gevolg van terugvordering optreden. Er moet iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand zijn wil een afwijking van de hoofdregel gerechtvaardigd zijn.

5.4.

Wat betreft het beroep van appellante op de aanwezigheid van dringende redenen overweegt de Raad dat zij nu weliswaar inzicht heeft verschaft in de in eerste aanleg reeds vermelde psychische gevolgen van de terugvordering, maar dat de Raad hierin onvoldoende aanleiding ziet voor het oordeel dat in dit geval sprake is van zodanige onaanvaardbare sociale gevolgen dat het Uwv wegens dringende redenen geheel of gedeeltelijk van terugvordering had dienen af te zien. Daarbij acht de Raad van belang dat uit de verklaring van psycholoog Geertzen van 23 januari 2013 weliswaar blijkt dat appellante werd behandeld voor de psychologische klachten die zij (mede) naar aanleiding van de terugvordering had ontwikkeld, maar tevens dat appellante na deze behandeling meer zelfvertrouwen heeft gekregen en geen last meer had van angst of paniek.

5.5.

Aangezien appellante de hoogte van het teruggevorderde bedrag niet heeft bestreden, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit kan worden gehandhaafd.

6. De overwegingen 4.1 tot en met 5.5 leiden tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2015.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) I. Mehagnoul

UM