Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3441

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-10-2015
Datum publicatie
13-10-2015
Zaaknummer
14-4590 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag. Toerekenbaar plichtsverzuim bestaande uit het voor privédoeleinden raadplegen van politiesystemen en het verzenden van een e-mailbericht aan de korpschef om hem, onder dreiging van bekendmaking van voor hem belastende informatie ertoe te bewegen de ontslagprocedure stop te zetten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2015/186
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4590 AW, 14/5697 AW

Datum uitspraak: 8 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

30 juni 2014, 13/3664 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Ingevolge artikel 5 van de Wet van 12 juli 2012 tot invoering van de Politiewet 2012 en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012, Stb. 2012, 316) is in dit geschil de korpschef in de plaats getreden van de korpsbeheerder van de politieregio Utrecht ten name van wie het geding aanvankelijk is gevoerd. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van korpschef, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de korpsbeheerder verstaan.

Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend en tevens voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft zijn zienswijze omtrent dit incidenteel hoger beroep naar voren gebracht.

Betrokkene heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2015. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door [X.] , echtgenote van betrokkene. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.U.C.I. Duran en G. Huijer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene was werkzaam als hoofdagent bij de (voormalige) politieregio Utrecht, laatstelijk bij het district Eemland Zuid.

1.2.

Nadat bij de korpschef het vermoeden was gerezen dat betrokkene zich had schuldig gemaakt aan plichtsverzuim, zijn twee afzonderlijke disciplinaire onderzoeken ingesteld. De bevindingen van deze disciplinaire onderzoeken zijn neergelegd in rapporten van 22 maart en 20 juni 2012.

1.3.1.

Nadat betrokkene schriftelijk zijn zienswijze over het voornemen daartoe naar voren had gebracht, heeft de korpschef betrokkene bij besluit van 19 september 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 juni 2013 (bestreden besluit), met onmiddellijke ingang de disciplinaire straf van ontslag opgelegd wegens toerekenbaar ernstig plichtsverzuim. Subsidiair heeft de korpschef betrokkene ontslag verleend wegens ongeschiktheid anders dan op grond van ziels- en lichaamsgebreken.

1.3.2.

Aan de primaire ontslaggrond, zoals na bezwaar gehandhaafd, is ten grondslag gelegd dat betrokkene ernstig plichtsverzuim heeft gepleegd, bestaande uit, kort gezegd:

  1. het voor privédoeleinden raadplegen van politiesystemen;

  2. het onjuist verantwoorden van uren;

  3. het beledigen van zijn districtschef nadat hij het voornemen tot ontslag kreeg uitgereikt;

  4. en het verzenden van een e-mailbericht aan de korpschef, waarin deze onder druk wordt gezet de ontslagprocedure niet door te zetten.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, samengevat, geoordeeld dat de korpschef ten onrechte heeft geconcludeerd dat sprake is van plichtsverzuim wat betreft de in overweging 1.3.2, onder 2 en 3, weergegeven gedragingen. Volgens de rechtbank heeft de korpschef echter op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens geconcludeerd dat sprake is van toerekenbaar plichtsverzuim voor zover betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan het voor privédoeleinden raadplegen van politiesystemen en heeft getracht het bevoegd gezag te bewegen de besluitvorming niet door te zetten door te dreigen met openbaarmaking van informatie. De straf van ontslag is niet onevenredig te achten aan de aard en ernst van de wel als plichtsverzuim aan te merken gedragingen, aldus de rechtbank.

3. Partijen hebben zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ten aanzien van het hoger beroep van betrokkene

4.1.

De Raad stelt voorop dat in de gedingstukken geen concrete aanwijzingen zijn te vinden voor de suggestie van betrokkene dat de besluitvorming van de korpschef op vooringenomen wijze tot stand is gekomen en dat de korpschef elke mogelijkheid heeft aangegrepen om zich van betrokkene te ontdoen.

Raadplegen politiesystemen

4.2.

Uit de gedingstukken blijkt dat betrokkene op 8 mei 2011 de politie-informatiesystemen heeft bevraagd teneinde gegevens over zijn (ex-)schoonzus en haar minderjarige kinderen, alsmede gegevens over diverse andere familieleden te verkrijgen. Op 21 en 24 juni 2011 heeft betrokkene andermaal de politie-informatiesystemen bevraagd om informatie over zijn

(ex-)schoonzus te verkrijgen. Betrokkene heeft deze gedragingen op zichzelf genomen ook erkend. Voor de vraag of deze gedragingen plichtsverzuim opleveren is minder relevant of betrokkene de verkregen informatie daadwerkelijk gebruikt, naar buiten gebracht of aan derden heeft verstrekt: voorop staat dat de politiesystemen slechts mogen worden bevraagd voor dienst gerelateerde doeleinden. Juist omdat zo lastig is aan te tonen wat met de opgevraagde informatie wordt gedaan, moet deze regel strikt worden gehanteerd (vergelijk de uitspraak van de Raad van 27 oktober 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU5298). Betrokkene heeft verklaard dat hij als netwerker huiselijk geweld wilde nagaan of de informatie over het opvanghuis waar zijn ex-schoonzus verbleef, juist was. De Raad volgt betrokkene niet in zijn stelling dat het raadplegen van de politiesystemen aldus een dienstbelang had. De Raad is, met de rechtbank, van oordeel dat het - ter vermijding van het risico van belangenverstrengeling - aan de leidinggevende van betrokkene was om een dienstbelang voor het natrekken van familiegegevens vast te stellen. Door bewust af te zien van overleg met zijn leidinggevende heeft betrokkene de indruk doen ontstaan dat hij vanuit persoonlijke motieven heeft gehandeld. In elk geval heeft hij niet iedere schijn van belangenverstrengeling weten te vermijden. De stelling van betrokkene dat hij de politiesystemen (mede) heeft geraadpleegd om in het kader van zijn re-integratie te oefenen met veranderde politiesystemen leidt evenmin tot het ermee beoogde doel. Het had op de weg van betrokkene gelegen om bij zijn leidinggevende melding te maken van een eventuele noodzaak tot oefening met nieuwe of veranderde systemen. Betrokkene heeft dit niet gedaan. Overigens heeft de korpschef ter zitting van de Raad uiteengezet dat het uitdrukkelijk niet de bedoeling is dat wordt geoefend met de reguliere bevragingssystemen en dat dit ook algemeen bekend is binnen de politieorganisatie. Om te kunnen oefenen is volgens de korpschef een speciale oefenomgeving in het leven geroepen. De Raad heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de stellingen van de korpschef op dit punt. De Raad ziet dan ook, evenals de rechtbank, geen aanwijzingen voor de door betrokkene gestelde werkgerelateerdheid van zijn bevragingen. De korpschef heeft terecht geconcludeerd dat betrokkene voor privédoeleinden politiesystemen heeft geraadpleegd en hij heeft deze gedraging terecht aangemerkt als plichtsverzuim.

Het e-mailbericht van betrokkene van 21 augustus 2012

4.3.

Betrokkene betoogt op zichzelf terecht dat de gedragingen die hem op dit punt worden verweten niet in de aanvankelijke, in het voornemen vervatte, tenlastelegging waren opgenomen en dat hij niet de gelegenheid heeft gehad zich daaromtrent in de zienswijze te verantwoorden. De Raad ziet aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht te passeren, nu aannemelijk is dat betrokkene door deze gang van zaken niet is benadeeld. Het gaat hier immers om uitlatingen in een door betrokkene zelf, naar aanleiding van het ontslagvoornemen, geschreven e-mailbericht, over de feitelijke strekking waarvan op zichzelf genomen redelijkerwijs geen onduidelijkheid kan bestaan. Betrokkene heeft daarnaast in bezwaar, beroep en in hoger beroep voldoende gelegenheid gehad zich te verweren ten aanzien van het hier aan de orde zijnde element van plichtsverzuim.

4.4.1.

In het e-mailbericht van 21 augustus 2012 - dat is gericht aan de districtschef van betrokkene, H - is onder meer het volgende vermeld:

“Tot slot deel ik u mede dat, mocht ik ondanks alle feiten en omstandigheden, geheel ten onrechte oneervol ontslag krijgen van de heer [A.] , ik dat onterechte ontslag door de rechter zal laten toetsen. Bovendien zal ik mijn verhaal uit de doeken doen over hoe mijn werkgever mij de afgelopen vier jaar heeft behandeld. Ik zal tevens de beerput opentrekken met betrekking tot alles, dus ook hoe het dreigincident door de Nicolich zigeuners is behandeld door de politie, alsmede 20tal andere ‘Roma/Nicolich zaken’ die in de doofpot zijn gestopt in overleg met burgemeester

[A.] . Wellicht ten overvloede; de burgemeester heeft medio februari van dit jaar ternauwernood een motie van wantrouwen in de kwestie Nicolich overleeft. Ik ga er vanuit dat de burgemeester niet nog een keer een motie van wantrouwen in de Roma/Nicolich kwestie zal overleven.” […] Ik zal er ook niet voor schromen om alle fouten van mijn werkgever, welke mijn werkgever grotendeels op mij probeerde af te schuiven, breeduit kenbaar te maken.”

4.4.2.

Betrokkene heeft met zijn uitlatingen kennelijk getracht om de korpschef, onder dreiging van bekendmaking van voor hem belastende informatie ertoe te bewegen de ontslagprocedure stop te zetten. De korpschef heeft deze handelwijze van betrokkene terecht onaanvaardbaar geacht en als plichtsverzuim aangemerkt. Wat betrokkene heeft aangevoerd, biedt geen rechtvaardiging voor de onder 4.4.1 weergegeven gedraging. Eventuele onvrede over het handelen en/of nalaten van het bevoegd gezag ten aanzien van de door betrokkene gestelde bedreigingen aan zijn adres had betrokkene - desgewenst - op andere wijze aan de orde kunnen en moeten stellen. Dat de onder 4.4.1 weergegeven uitlatingen waren ingegeven door de emoties van het moment rechtvaardigt deze uitlatingen evenmin.

4.5.

Uit de overgelegde medische informatie kan niet worden afgeleid dat betrokkene de ontoelaatbaarheid van de hem verweten gedragingen niet heeft kunnen inzien. Anders dan betrokkene stelt, is het hiervoor besproken plichtsverzuim dan ook volledig toerekenbaar.

4.6.

Nu betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan toerekenbaar plichtsverzuim was de korpschef bevoegd betrokkene disciplinair te straffen.

4.7.

Namens de korpschef is ter zitting van de Raad desgevraagd te kennen gegeven dat de aan betrokkene verweten gedragingen als onder 4.2 alsmede 4.4.1 en 4.4.2 weergegeven het bij het bestreden besluit gehandhaafde strafontslag zelfstandig kunnen dragen.

4.8.

Gelet op de aard en ernst van deze verweten gedragingen acht ook de Raad de opgelegde disciplinaire straf van ontslag daaraan niet onevenredig. De lange staat van dienst van betrokkene en de grote gevolgen, ook in financieel opzicht, die het ontslag voor hem heeft, maken dit niet anders.

4.9.

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep van betrokkene niet slaagt.

Ten aanzien van het hoger beroep van de korpschef

4.10.

In 4.9 ligt besloten dat het door de korpschef voorwaardelijk ingestelde incidenteel beroep vervalt, zodat aan een inhoudelijke bespreking daarvan niet wordt toegekomen.

Slotoverwegingen

4.11.

De slotsom is dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- bepaalt dat de korpschef aan betrokkene het in beroep en in hoger beroep betaalde

griffierecht van in totaal € 406,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en K.J. Kraan en J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2015.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) S.W. Munneke

HD