Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3435

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-10-2015
Datum publicatie
08-10-2015
Zaaknummer
13/1748 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Korting WGA-uitkering. Appellante (werkgeefster) heeft op overtuigende wijze onderbouwd dat geen sprake is geweest van een wijziging van het ambt als bedoeld in artikel 76a, eerste lid van de ZW. Nu het ambt van werkneemster niet is gewijzigd, is voor appellante geen nieuwe verplichting ontstaan om de bezoldiging 104 weken door te betalen en kan van een korting van de uitkering in verband met door werkneemster van appellante ontvangen bezoldiging geen sprake zijn. Het Uwv had aan werkneemster een volledig, ongekorte, WGA-uitkering moeten toekennen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/1748 WIA

Datum uitspraak: 7 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 8 februari 2013, 12/2953 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Stichting X.] te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. de Visser, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2015. Namens appellante is [Y.] verschenen, bijgestaan door mr. De Visser. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.

OVERWEGINGEN

1.1.

[X.] (werkneemster) is kunsthistorica. Sinds 1986 was zij op basis van een ambtelijke aanstelling bij appellante werkzaam als conservator. Op 21 januari 2008 is zij uitgevallen als gevolg van psychische en fysieke klachten.

1.2.

Bij besluit van 14 januari 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat voor werkneemster per einde wachttijd op 18 januari 2010 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van

22 juni 2010 ongegrond verklaard. Appellante heeft hiertegen geen rechtsmiddel aangewend.

1.3.

Werkneemster hield zich vanaf 18 januari 2010 (en mogelijk ook al eerder) voltijds bezig met de inventarisatie van kunst in het Provinciehuis en andere gebouwen van de [provincie].

1.4.

Per 1 juli 2010 is werkneemster voor een periode van tweeëneenhalf jaar, voor 40 uur per week, gedetacheerd bij de [Stichting Z.] ( [Stichting Z.] ), om daar werkzaamheden te verrichten ter uitvoering van een prestatieafspraak tussen de [Stichting Z.] en de [provincie] met betrekking tot de [provinciale volkscultuur].

1.5.

Op 6 december 2010 is werkneemster opnieuw uitgevallen in verband met toegenomen klachten uit dezelfde ziekteoorzaak.

1.6.

Bij besluit van 23 november 2011 heeft het Uwv werkneemster per 6 december 2010 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%, lopend tot 6 oktober 2013. De hoogte van de uitkering heeft het Uwv daarbij gesteld op 75% van het verschil tussen het WIA-maandloon en het maandinkomen dat werkneemster van appellante ontving.

1.7.

Bij besluit van 24 november 2011 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid per

8 november 2011 gesteld op 53%. Het Uwv heeft appellante daarbij meegedeeld dat de loongerelateerde WGA-uitkering hierdoor niet werd gewijzigd.

1.8.

Appellante heeft tegen het besluit van 23 november 2011 en tegen het besluit van

24 november 2011 bezwaar gemaakt, waarbij het in bezwaar zich richtte op het in mindering brengen van het door appellante betaalde loon op de uitkering.

1.9.

Bij besluit van 2 mei 2012 heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 23 en 24 november 2011 ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat voor appellante bij de nieuwe uitval van werkneemster op 6 december 2010 een nieuwe verplichting de bezoldiging 104 weken door te betalen was ontstaan.

2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv zijn standpunt pas in het in beroep ingediende verweerschrift heeft voorzien van een adequate motivering met verwijzing naar het relevante wettelijke kader. De rechtbank heeft het bestreden besluit daarom vernietigd wegens een motiveringsgebrek. Vervolgens heeft de rechtbank bezien of er aanleiding was om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Deze vraag heeft de rechtbank bevestigend beantwoord. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellante ter zitting van de rechtbank heeft erkend dat feitelijk sprake was geweest van andere werkzaamheden en dat daarmee ook de bedongen arbeid was gewijzigd. De rechtbank heeft hieraan de conclusie verbonden dat het ambt van werkneemster feitelijk was gewijzigd en dat een nieuwe verplichting de bezoldiging 104 weken door te betalen was ontstaan.

3.1.

Appellante heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand heeft gelaten. Appellante heeft gemotiveerd betwist dat zij tegenover de rechtbank heeft verklaard dat feitelijk sprake was geweest van andere werkzaamheden. Voorts heeft zij toegelicht dat werkneemster na weigering van de WIA-uitkering per 18 januari 2010 in dienst is gebleven in de functie van conservator en er geen wijziging is opgetreden in de werkzaamheden van werkneemster. Werkneemster is vanuit haar aanstelling als conservator gedetacheerd. Dit is gebeurd omdat werkneemster uit hoofde van haar functie van conservator bij appellante beschikte over de juiste kennis, kunde en deskundigheid om invulling te geven aan de prestatieafspraak die [Stichting Z.] met de provincie had gemaakt, terwijl [Stichting Z.] daarover zelf niet beschikte. De enige verandering was dat werkneemster haar werkzaamheden op detacheringsbasis bij [Stichting Z.] uitoefende. Haar rechten en verplichtingen waren gelijk gebleven. Appellante heeft hieraan de conclusie verbonden dat met de hernieuwde uitval van werkneemster op 6 december 2010 geen nieuwe verplichting de bezoldiging 104 weken door te betalen was ontstaan, zodat het Uwv ten onrechte een korting ter zake op de uitkering van werkneemster heeft toegepast.

3.2.

Het Uwv heeft in hoger beroep volhard in zijn eerder ingenomen standpunt en bevestiging van de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar de weergave daarvan onder 3 van de aangevallen uitspraak.

4.2.

Vastgesteld wordt dat voor de beoordeling van het geschil tussen partijen met name van belang is artikel 76a, eerste lid, van de Ziektewet (ZW). Hierin is, voor zover hier relevant, bepaald dat bij verhindering wegens ongeschiktheid als gevolg van ziekte om het ambt te vervullen ten aanzien van de werkgever jegens wie de persoon, bedoeld in artikel 76 van de ZW, krachtens publiekrechtelijke aanstelling gehouden is tot het verrichten van arbeid, gedurende een tijdvak van 104 weken aanspraak bestaat op 70% van de bezoldiging, bedoeld in het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, dan wel van hetgeen daarmee overeenkomt, voor zover deze bezoldiging niet meer bedraagt dan hetgeen overeenkomt met het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen.

4.3.

Naar tussen partijen niet in geschil is, was werkneemster als conservator aangesteld bij appellante en is in haar formele aanstelling in de relevante periode niets gewijzigd. In de functiebeschrijving worden werkzaamheden beschreven op het terrein van collectiebeleid,

-beheer en -behoud, collectiepresentatie en tentoonstellingen, wetenschappelijk onderzoek en wetenschappelijke activiteiten, extern gerichte activiteiten en overige werkzaamheden.

4.4.

Appellante heeft ter zitting uitvoerige informatie verschaft over de inhoud van de werkzaamheden van werkneemster voor haar eerste uitval, in de periode tot haar detachering bij [Stichting Z.] en tijdens haar detachering bij [Stichting Z.] . Zij heeft daarbij naar voren gebracht dat zowel voor de werkzaamheden in het kader van de inventarisatie van kunst in het Provinciehuis en andere gebouwen van de [provincie] als voor de werkzaamheden in het kader van haar detachering bij [Stichting Z.] gold dat dit werkzaamheden waren die pasten binnen de in 4.3 genoemde functiebeschrijving. Voorts heeft zij een toelichting gegeven op een aantal ontwikkelingen binnen de museale wereld en de daaruit voortvloeiende gevolgen voor verschillende aspecten van het werk van conservator. Zo was vroeger een conservator iemand die zich vrijwel uitsluitend met de materiële collectie bezighield, terwijl deze geleidelijk aan meer publieksgerichte taken heeft gekregen. Verder gaat het tegenwoordig niet alleen meer om taken rond een materiële collectie (voorwerpen), maar ook om taken rond immaterieel erfgoed als tradities en volksgebruiken. Voor zover sprake was van een verschil in werkzaamheden van werkneemster bij appellante zelf en bij [Stichting Z.] was slechts sprake van een accentverschil, in die zin dat bij [Stichting Z.] het accent meer lag op het immateriële erfgoed. Het werk dat werkneemster deed, zowel bij [Stichting Z.] als daarvoor, was allemaal werk dat paste binnen haar functie van conservator.

4.5.

Geoordeeld wordt dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de onder 4.4 weergegeven toelichting van werkgeefster. Met deze toelichting heeft appelante op overtuigende wijze onderbouwd dat geen sprake is geweest van een wijziging van het ambt als bedoeld in artikel 76a, eerste lid van de ZW.

4.6.

Het Uwv heeft ter zitting expliciet te kennen gegeven dat indien zou moeten worden aangenomen dat het ambt van werkneemster niet is gewijzigd, voor appellante geen nieuwe verplichting is ontstaan om de bezoldiging 104 weken door te betalen en van een korting van de uitkering in verband met door werkneemster van appellante ontvangen bezoldiging geen sprake kan zijn. Uit 4.5 volgt dat het er gelet op deze stellingname van het Uwv ter zitting voor moet worden gehouden dat het Uwv aan werkneemster per 6 december 2010 een volledig, ongekorte, WGA-uitkering had moeten toekennen. Dit betekent dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde aangevallen besluit ten onrechte in stand heeft gelaten. De uitspraak van de rechtbank dient, voor zover aangevochten, te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen zullen voorts de besluiten van 23 en 24 november 2011 worden herroepen voor zover daarbij een korting op de uitkering is toegepast in verband met doorbetaling van de bezoldiging door appellante.

5. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 980,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

  • -

    herroept de besluiten van 23 en 24 november 2011 op de in 4.6 vermelde wijze;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 980,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellante het door haar betaalde griffierecht in hoger beroep van

€ 487,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en A.I. van der Kris en

F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2015.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) D. van Wijk

NK