Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3430

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-09-2015
Datum publicatie
08-10-2015
Zaaknummer
12/2527 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Nabestaandenuitkering terecht geweigerd. De verklaring van de rechtbank Tetouan, dat de echtgenoot van appellante met ingang van het jaar 1985 dood is, kan niet worden gelijkgesteld met een beschikking op grond van artikel 1:413 van het BW. In dit geval is geen sprake van een situatie waarin op grond van artikel 4, eerste volzin, van de AWW, zoals dit luidde tot 1 juli 1996, voor de toepassing van de AWW vermoedelijk overlijden moet worden gelijkgesteld met overlijden. 2) Herziening en terugvordering AOW-pensioen. Appellante is niet verzekerd op basis van zogeheten huwelijkse tijdvakken over de periode van 20 maart 1985 tot en met 1 januari 2000. Niet kan worden vastgesteld of de echtgenoot in de periode vanaf 21 maart 1985 ingezetene van Nederland was of woonde op het grondgebied van één van de in artikel 1, onder h, van KB 557 bedoelde staten.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 413
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2015/1808
USZ 2015/362
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2527 AOW, 15/482 ANW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

22 maart 2012, 11/3465 (aangevallen uitspraak 1) en van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 december 2014, 12/305 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] Marokko (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 7 oktober 2015

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn tegen beide aangevallen uitspraken hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft in beide procedures verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2015. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. De Roy van Zuydewijn. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.F.M. Vonk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is geboren in 1944 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. In 1959 is appellante gehuwd met [naam echtgenoot] , geboren in 1938. De echtgenoot van appellante is met ingang van 9 juni 1971 in Nederland in het bevolkingsregister ingeschreven, komende vanuit Frankrijk. Van 1981 tot 1 juli 2003 is aan de echtgenoot een uitkering ingevolge de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) uitbetaald. Met ingang van 20 maart 1985 is de echtgenoot uitgeschreven uit het Nederlandse bevolkingsregister met de vermelding dat hij naar Marokko is vertrokken. In 1986 heeft een familielid van appellante aangifte gedaan van de vermissing van de echtgenoot van appellante. Naar de vermissing is een onderzoek ingesteld door de politie. Het onderzoek is in 1986 afgesloten zonder dat de vermissing is opgehelderd.

1.2.

Op 24 juni 2003 is op naam van de echtgenoot van appellante een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) aangevraagd. Bij besluit van 20 april 2005 is de echtgenoot met ingang van juli 2003 een AOW-pensioen toegekend ter hoogte van 58% van het maximale pensioen plus een toeslag van 70% van de volledige toeslag. Vanaf de aanvraag in 2003 tot september 2008 heeft de Svb op naam van de echtgenoot ingevulde inkomstenopgaven en levensbewijsformulieren ontvangen. Uit onderzoek van de Svb - in samenwerking met het Ministerie van Buitenlandse Zaken en het Marokkaanse orgaan

CNSS - is gebleken dat de echtgenoot nog steeds vermist is en alleen appellante en haar dochters op het opgegeven adres in Marokko wonen. In 2009 is dit eveneens aan de Svb gemeld. In september 2009 is aan appellante met ingang van juli 2009 een AOW-pensioen toegekend ter hoogte van 58% van het maximale pensioen.

1.3.

Bij besluiten van 23 juli 2010 is het AOW-pensioen van de echtgenoot met ingang van juli 2003 ingetrokken en een bedrag van € 58.262,40 aan te veel betaald pensioen teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 23 juli 2010 is het AOW-pensioen van appellante met ingang van juli 2009 herzien naar 28% van het maximale pensioen. Bij besluit van eveneens 23 juli 2010 is over de periode van juli 2009 tot en met juli 2010 een bedrag van € 1.823,07 aan te veel betaald pensioen teruggevorderd van appellante.

1.5.

In augustus 2010 heeft appellante een nabestaandenuitkering aangevraagd. Zij heeft verzocht deze uitkering met ingang van 1 maart 1986 toe te kennen. Bij besluit van 9 juni 2011 heeft de Svb de aanvraag om een nabestaandenuitkering afgewezen.

1.6.

De bezwaren tegen de besluiten van 23 juli 2010 (inzake het ouderdomspensioen van appellante zelf) zijn bij besluit van 9 juni 2011 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat appellante over de periode van 21 maart 1985 tot en met 30 juni 2009 niet verzekerd is geweest voor de AOW. Over de periode van 9 juni 1971 tot en met

20 maart 1985 is zij verzekerd op basis van zogeheten huwelijkse tijdvakken. Niet kan worden vastgesteld of de echtgenoot vanaf 21 maart 1985 voldoet aan de voorwaarden voor verzekering op grond van de AOW, omdat hij sinds die dag wordt vermist.

1.7.

Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 9 juni 2011 (inzake de nabestaandenuitkering) is bij besluit van 8 december 2011 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard. Bestreden besluit 2 berust op de conclusie dat artikel 25 van de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW) niet van toepassing is en dat geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 33, vierde lid, van de Algemene nabestaandenwet (ANW).

2.1.

Bij aangevallen uitspraak 1 is het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Geoordeeld is dat het pensioen van appellante met ingang van 1 juli 2009 terecht is herzien naar 28% van het maximale pensioen. De rechtbank volgt de conclusie van de Svb dat deze niet heeft kunnen vaststellen of de echtgenoot vanaf 21 maart 1985 aan de voorwaarden voor verzekering voldoet. Daarvoor is redengevend dat niet kan worden vastgesteld of de echtgenoot nog in leven is, nu deze per die datum uitgeschreven is uit het bevolkingsregister en sindsdien wordt vermist. Voorts is volgens de rechtbank geen sprake van uitzonderlijke omstandigheden waarmee de Svb op grond van zijn beleid rekening had moeten houden. Overwogen is dat appellante een groot verwijt valt te maken, omdat zij de vermissing nooit heeft gemeld en zij jarenlang formulieren op naam van haar echtgenoot heeft ingevuld. De rechtbank is niet gebleken van dringende redenen om af te zien van de herziening of de terugvordering. De Svb heeft terecht het onverschuldigd (op naam van appellante) betaalde pensioen teruggevorderd.

2.2.

In de beroepsprocedure tegen bestreden besluit 2 heeft de rechtbank in haar tussenuitspraak van 11 februari 2013 het onderzoek heropend en appellante in de gelegenheid gesteld een beschikking van (de civiele kamer van) de rechtbank over te leggen op het verzoek van appellante om het rechtsvermoeden van overlijden van de echtgenoot vast te stellen op grond van artikel 1:413 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bij brief van

16 december 2013 heeft appellante een vonnis van 8 juli 2013 van de Rechtbank van Eerste Aanleg Tetouan te Marokko (rechtbank Tetouan) overgelegd.

2.3.

Bij aangevallen uitspraak 2 is het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat geen sprake is van een bijzonder geval, in de zin van artikel 33, vierde lid, ANW, op grond waarvan het recht op uitkering met meer dan één jaar terugwerkende kracht kan worden vastgesteld. Het rechtsvermoeden van overlijden is volgens de rechtbank niet komen vast te staan. Niet gebleken is van concrete omstandigheden die wijzen op het overlijden van de echtgenoot in of na maart 1985. De rechtbank heeft geconstateerd dat appellante niet heeft meegedeeld wat de uitkomst is van de procedure op grond van artikel 1:413 van het BW. Voorts is overwogen dat het vonnis van de rechtbank Tetouan niet is gebaseerd op controleerbare gegevens, die in een procedure voor de Raad van doorslaggevende betekenis zouden worden geacht. Daarbij is verwezen naar de uitspraak van de Raad van 18 februari 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:A05861.

3.1.

Appellante heeft in het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 gesteld dat de echtgenoot ook na 21 maart 1985 verzekerd is gebleven voor de AOW, omdat hij ofwel als ingezetene was verzekerd, ofwel als WAO-gerechtigde, woonachtig in het buitenland.

De verzekering is volgens appellante op zijn vroegst geëindigd per 20 maart 1986. Voorts meent appellante dat zij als verzekerd voor de AOW moet worden beschouwd, omdat zij alsnog in aanmerking dient te komen voor een nabestaandenuitkering met ingang van 1 maart 1986.

3.2.

In het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 heeft appellante gesteld dat de rechtbank ten onrechte ervan heeft afgezien na de heropening het onderzoek op een nadere zitting te behandelen. Partijen hebben geen toestemming gegeven om deze zitting achterwege te laten. Betoogd is dat de mogelijkheid om van een zitting af te zien na een tussenuitspraak niet van toepassing is, omdat geen tussenuitspraak in de zin van artikel 8:80a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is gedaan. Appellante heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de nabestaandenuitkering met terugwerkende kracht vanaf 1986 moet worden verleend. Ten onrechte is geen toepassing gegeven aan (de materiële bepalingen van) de AWW. Op grond daarvan geldt de beperking van de terugwerkende kracht niet in geval van vermoedelijk overlijden. Appellante stelt dat haar echtgenoot moet worden vermoed te zijn overleden. Volgens appellante is ten onrechte geen betekenis gehecht aan het vonnis van de rechtbank te Tetouan. Aan de criteria van het arrest van 26 januari 1996 van de Hoge Raad, ECLI:NL:HR:ZC1978, voor erkenning van een buitenlandse uitspraak is voldaan. Het vonnis bevat volgens appellante dat wat op grond van artikel 1:413 van het BW nodig is om bij beschikking het vermoedelijk overlijden vast te stellen.

4. Wat betreft aangevallen uitspraak 2 komt de Raad tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ten onrechte heeft de rechtbank ervan afgezien om na de heropening het onderzoek op een nadere zitting voor behandeling aan de orde te stellen. Ingevolge artikel 8:57, eerste lid, van de Awb kan de bestuursrechter bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft indien partijen daarvoor toestemming hebben gegeven. Tussen partijen is niet in geschil dat na de heropening van het onderzoek niet om zodanige toestemming is gevraagd en dat partijen deze ook (uit eigen beweging) niet hebben verleend. Van zodanige toestemming is ook niet gebleken uit de stukken die op de zaak betrekking hebben. De bevoegdheid om de zitting achterwege te laten volgt in dit geval evenmin uit artikel 8:57, tweede lid, van de Awb, nu de rechtbank geen tussenuitspraak heeft gedaan als bedoeld in artikel 8:80a, eerste lid, van de Awb. Immers, er is geen toepassing gegeven aan artikel 8:51a van de Awb - waar artikel 8:80a, eerste lid, van de Awb naar verwijst - op grond waarvan de bestuursrechter het bestuursorgaan in de gelegenheid kan stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Met de beslissing van de rechtbank om het onderzoek te heropenen en appellante in de gelegenheid te stellen nadere stukken over te leggen, kan de rechtbank niet worden geacht toepassing te hebben gegeven aan artikel 8:51a van de Awb.

4.2.

Gelet op de overweging onder 4.1 komt aangevallen uitspraak 2 voor vernietiging in aanmerking. Daaruit volgt dat in het midden kan blijven wat er zij van de stelling van appellante dat in aangevallen uitspraak 2 is verzuimd in volle omvang over het geding te beslissen.

4.3.

In geschil is of terecht is geweigerd appellante met ingang van 1 maart 1986 een nabestaandenuitkering toe te kennen.

4.4.

De aanspraak op een nabestaandenuitkering met ingang van 1 maart 1986 dient te worden beoordeeld op grond van artikel 25, derde lid, van de AWW in verbinding met artikel 4 van de AWW. In de uitspraak van 21 juli 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY5560, heeft de Raad beslist dat de vraag of een betrokkene van wie de partner vóór de inwerkingtreding van de ANW op 1 juli 1996 is overleden, recht heeft op een nabestaandenuitkering beoordeeld moet worden aan de hand van de AWW zoals die tot 1 juli 1996 luidde. In lijn hiermee bepaalt artikel 105, tweede lid, van de ANW dat de AWW van toepassing blijft op de rechten, verplichtingen en bevoegdheden over de tijdvakken gelegen vóór de dag waarop de ANW in werking treedt. De aanspraak op ANW-uitkeringen ter zake van overlijden dat vóór de inwerkingtreding van die wet heeft plaatsgehad, is ingevolge eerdergenoemd overgangsrecht in algemene zin beperkt tot die gevallen waarin dat overlijden tot een aanspraak op uitkering krachtens de AWW heeft geleid.

4.5.

Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de AWW, zoals dit luidde tot 1 juli 1996, gaat het pensioen in op de eerste dag der maand, waarin de belanghebbende aan de voorwaarden voor het recht op pensioen voldoet. In artikel 25, derde lid, van de AWW, zoals dit luidde tot 1 juli 1996, is, voor zover hier van belang, bepaald dat in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, behoudens in de gevallen waarin artikel 4 toepassing heeft gevonden, het pensioen niet vroeger kan ingaan dan een jaar vóór de eerste dag der maand, waarin de aanvraag werd ingediend.

4.6.

Ingevolge artikel 4, eerste volzin, van de AWW, zoals dit luidde tot 1 juli 1996, wordt voor de toepassing van deze wet met overlijden gelijkgesteld een vermoedelijk overlijden. Op basis van de tweede volzin van dit artikel zijn bij de Beschikking van 13 juli 1959, Stcrt. 1959, 134 (Beschikking) regels gesteld volgens welke het vermoedelijk overlijden en de dag waarop het overlijden geacht wordt te hebben plaatsgevonden worden vastgesteld. In artikel 1 van de Beschikking is bepaald dat voor de toepassing van de AWW iemand wordt vermoed te zijn overleden, wanneer hij gedurende één jaar afwezig is, zonder dat er bericht is ingekomen waaruit blijkt dat hij in leven is, of wanneer er één jaar is verlopen na de dag waarop hij volgens de laatste tijding nog in leven was, één en ander mits de omstandigheden zijn dood waarschijnlijk maken.

4.7.

De Svb is terecht tot de conclusie gekomen dat in het geval van appellante de enkele omstandigheid van de vermissing van haar echtgenoot zijn dood niet waarschijnlijk maakt. In navolging van de overwegingen van de rechtbank moet worden geoordeeld dat niet gebleken is van concrete omstandigheden die wijzen op het overlijden van de echtgenoot in of na maart 1985. De enkele omstandigheid dat de echtgenoot voor het laatst in maart 1985 is gesignaleerd, is daarvoor onvoldoende. Na de aangifte van vermissing door familieleden heeft onderzoek door de politie plaatsgevonden naar de vermissing. Aangenomen moet

worden - hetgeen tussen partijen niet in geschil is - dat de omstandigheden rond de vermissing nooit zijn opgehelderd.

4.8.

Voorts dient in navolging van de rechtbank te worden gewezen op rechtspraak van de Raad, waaronder de uitspraken van 8 september 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY8289,

9 augustus 2000, ECLI:NL:CRVB: 2000:ZB8930, en 26 mei 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM7377. Deze rechtspraak brengt mee dat indien geen sprake is van omstandigheden die de dood van de partner waarschijnlijk maken voor het vaststellen van de aanspraak op nabestaandenuitkering, de procedure van artikel 1:413 van het BW moet worden gevolgd. Artikel 4 van de AWW heeft niet alleen betrekking op situaties waarin de Beschikking, maar ook op die waarin de procedure van artikel 1:413 van het BW wordt toegepast. In die procedure kan de rechtbank op verzoek van een belanghebbende verklaren dat het rechtsvermoeden bestaat van overlijden van een persoon waarvan het bestaan onzeker is.

4.9.

Appellante is door de rechtbank uitdrukkelijk in de gelegenheid gesteld een beschikking van (de civiele kamer van) de rechtbank op grond van artikel 1:413 van het BW over te leggen. Een beschikking (van de rechtbank dan wel het gerechtshof) op grond van artikel 1:413 van het BW heeft appellante noch in beroep, noch in hoger beroep overgelegd.

4.10.

Partijen houden verdeeld of met een beschikking ingevolge artikel 1:413 van het BW moet worden gelijkgesteld het vonnis van 8 juli 2013 van de rechtbank Tetouan. In dit vonnis is de echtgenoot van appellante dood verklaard met ingang van het jaar 1985. De rechtbank Tetouan heeft overwogen dat het het meest waarschijnlijk is dat de echtgenoot is omgekomen. Daarbij is vermeld dat er naar de echtgenoot opsporingen en onderzoeken zijn verricht met alle mogelijke middelen volgens artikel 327 van het (Marokkaanse) Wetboek Familierecht. Het vonnis maakt melding van een akte van bevestiging van absentie (die op 17 juli 2009 in het Marokkaanse register is opgenomen), een bevel van 30 april 2012 tot verspreiding van het (aan de rechtbank Tetouan gerichte) verzoekschrift via de (Marokkaanse) Nationale Omroep en de nationale bladen, een onderzoek ingesteld door het (Marokkaanse) Openbaar Ministerie door de Gerechtelijke Politie op 2 april 2013 en voorts de gerechtelijke verspreiding van de doodverklaring die driemaal is uitgezonden via dezelfde Nationale Omroep.

4.11.

Appellante heeft betoogd dat de wijze waarop de doodverklaring van de

echtgenoot - zoals vastgelegd in het Marokkaanse vonnis - tot stand is gekomen, overeenkomsten vertoont met de wijze van totstandkomen van het rechtsvermoeden van overlijden op grond van artikel 1:413 van het BW. Deze procedurele gelijkenis - wat daar ook van zij - volstaat in dit geval echter niet om de vermissing vanaf 1 maart 1986 aan te merken als een met een overlijden gelijk te stellen vermoedelijk overlijden. In het geval waarin de procedure van artikel 1:413 van het BW voorziet dat de echtgenoot nog in leven is, is er immers een gerede kans dat hij zich in Nederland bevindt, dan wel, al dan niet via derden, door oproepen in Nederlandse media kan worden bereikt. De echtgenoot is in maart 1985 voor het laatst gesignaleerd in Nederland. De echtgenoot is tot aan het moment van zijn vermissing in Nederland ingeschreven geweest in het bevolkingsregister. Appellante en twee van haar dochters, die bij haar wonen in Marokko, hebben ieder afzonderlijk verklaard dat zij de echtgenoot van appellante vanaf 1985 in Marokko niet meer hebben gezien. Na de vermissing is in Nederland bij de politie te Amsterdam aangifte gedaan door een familielid. Vervolgens heeft uitvoerig onderzoek plaatsgevonden door de politie in Amsterdam. Ondanks onderzoek door twaalf rechercheurs en kadermedewerkers en het verhoor van vele getuigen is het onderzoek in februari 1986 gesloten zonder dat de vermissing tot klaarheid is gekomen, mede omdat sprake was van onwil van de aangever en de getuigen om opening van zaken te geven. De Svb heeft opgemerkt dat ten tijde van het fraudeonderzoek van juni 2010 bij de politie over het onderzoek in 1985 geen gegevens meer aanwezig waren. Gelet op de omstandigheden van het geval heeft appellante niet kunnen volstaan met het aanvragen van een verklaring van (vermoedelijk) overlijden in Marokko.

4.12.

Anders dan appellante heeft betoogd, leidt het arrest van 26 januari 1996 van de Hoge Raad, niet tot een ander oordeel. Dit arrest betreft een buitenlands vonnis waarbij een echtscheidingsvordering is afgewezen. In het arrest is overwogen dat de Nederlandse rechter niet ingevolge enig verdrag of Nederlands internationaal privaatrecht gehouden is tot erkenning van dit vonnis. Naar Nederlands privaatrecht staat het de rechter echter vrij om wanneer een vordering door de buitenlandse rechter is ontzegd, aan diens

uitspraak - aangenomen dat deze aan de voorwaarden voor erkenning voldoet - het gezag toe te kennen dat hem in het bijzondere geval geraden voorkomt. In de overwegingen van dit arrest ziet de Raad geen aanknopingspunten om aan te nemen dat het de bestuursrechter in dit geval niet vrij zou staan aan de verklaring van de rechtbank Tetouan, dat de echtgenoot van appellante met ingang van het jaar 1985 dood is, het gezag toe te kennen dat hem in dit geval geraden voorkomt. De bestuursrechter is in dit geval niet zonder meer aan die verklaring gebonden.

4.13.

Uit overweging 4.11 volgt dat de verklaring van de rechtbank Tetouan, dat de echtgenoot van appellante met ingang van het jaar 1985 dood is, niet kan worden gelijkgesteld met een beschikking op grond van artikel 1:413 van het BW. In dit geval is geen sprake van een situatie waarin op grond van artikel 4, eerste volzin, van de AWW, zoals dit luidde tot

1 juli 1996, voor de toepassing van de AWW vermoedelijk overlijden moet worden gelijkgesteld met overlijden. Daarom is terecht geweigerd appellante met ingang van 1 maart 1986 een nabestaandenuitkering toe te kennen.

4.14.

Uit overweging 4.4. volgt dat - hetgeen appellante met juistheid heeft betoogd - bij bestreden besluit 2 ten onrechte geen toepassing is gegeven aan (de materiële bepalingen van) de AWW. De Raad ziet aanleiding dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat appellante door dit gebrek niet is benadeeld.

4.15.

In overweging 4.2 is geconcludeerd dat aangevallen uitspraak 2 voor vernietiging in aanmerking komt. De gevolgtrekking die uit de overwegingen 4.3 tot en met 4.13 dient te worden gemaakt is dat - doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen - het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond moet worden verklaard.

5. Wat betreft aangevallen uitspraak 1 komt de Raad tot de volgende beoordeling.

5.1.

Het hoger beroep heeft geen betrekking op de - hiervoor vermelde - besluiten van 23 juli 2010 waarbij het op naam van de echtgenoot toegekende pensioen met ingang van juli 2003 is ingetrokken en tot een bedrag van € 58.262,40 is teruggevorderd.

5.2.

In geding is of het pensioen van appellante ingevolge de AOW terecht over de periode van juli 2009 tot en met juli 2010 is herzien en of het bedrag van € 1.823,07 aan over deze periode te veel betaald pensioen terecht is teruggevorderd.

5.3.

Niet in geschil is dat de echtgenoot in de periode van 1 januari 2000 tot het bereiken van zijn 65-jarige leeftijd in 2003 niet verzekerd was ingevolge de AOW. Voorts is niet in geschil dat de echtgenoot niet vrijwillig verzekerd is geweest voor AOW.

5.4.

Wat betreft de periode 21 maart 1985 tot 1 januari 2000 wordt als volgt overwogen.

5.5.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder g, aanhef en ten eerste, van het KB 557, zoals dat gold van 1 oktober 1976 tot 1 januari 1985 en artikel 1, aanhef en onder h, aanhef en ten eerste, van het Besluit uitbreiding en beperking kring der verzekerden volksverzekeringen van 19 oktober 1976, Stb. 1976, 557 (KB 557), zoals dat gold van 1 januari 1985 tot 1 juli 1989, was verzekerd voor de AOW degene die een WAO-uitkering ontving van ten minste 45% en die buiten Nederland woonde op het grondgebied van een lidstaat van de Europese Economische Gemeenschap of op het grondgebied van een staat waarmee een overeenkomst is gesloten die bijzondere bepalingen bevat inzake takken van verzekering die overeenkomen met de - in de aanhef van artikel 1 genoemde - volksverzekeringswetten, of op het grondgebied van een door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan te wijzen staten.

5.6.

Niet kan worden vastgesteld of de echtgenoot in de periode vanaf 21 maart 1985 ingezetene van Nederland was of woonde op het grondgebied van één van de in artikel 1, onder h, van KB 557 bedoelde staten. De echtgenoot is met ingang van 21 maart 1985 uitgeschreven uit het bevolkingsregister. Aanknopingspunten - zoals het aanhouden van een zelfstandige woonruimte in Nederland - dat hij niettemin zijn woonplaats in Nederland zou hebben behouden, zijn niet aanwezig. Weliswaar wijst de vermelding in het bevolkingsregister dat hij naar Marokko is vertrokken, op de mogelijkheid dat de

echtgenoot - zo hij in leven is gebleven - zich in Marokko heeft gevestigd, maar appellante en twee van haar dochters hebben onafhankelijk van elkaar, overeenstemmende verklaringen afgelegd dat zij de echtgenoot van appellante vanaf 1985 in Marokko niet meer hebben gezien. Ook anderszins ontbreken voldoende aanwijzingen om wonen in Marokko aan te nemen. Voldoende aanwijzingen om wonen op het grondgebied van enige andere staat als bedoeld in artikel 1, onder h, van KB 557 aan te nemen, ontbreken. De enkele omstandigheid dat een derde heeft verklaard dat de echtgenoot in Spanje zou hebben verbleven, is daarvoor niet voldoende.

5.7.

In artikel 8, tweede lid, van het Besluit uitbreiding en beperking kring der verzekerden volksverzekeringen van 3 mei 1989, Stb. 1989, 164 (KB 164), zoals dat gold van 1 juli 1989 tot 1 januari 1999, is - voor zover hier van belang - bepaald dat verzekerd ingevolge de volksverzekeringen is degene die niet in Nederland woont en recht heeft op een

WAO-uitkering, indien dat recht aansluit op de verplichte verzekering ingevolge de volksverzekeringen en mits die uitkering ten minste gelijk is aan 35% van het bruto minimumloon.

5.8.

In artikel 30 van KB 164 is bepaald dat op degene die niet in Nederland woont en vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit niet voldeed aan artikel 1 van KB 557, maar wel behoorde tot een in dat artikel genoemde groep van personen, KB 557 van toepassing blijft, tenzij binnen een jaar na 1 juli 1989 aan de Svb het verzoek wordt gedaan om als verzekerde ingevolge de volksverzekeringen te worden aangemerkt en vanaf

1 juli 1989 voldaan wordt aan, onder andere, artikel 8 van KB 164.

5.9.

Niet kan worden vastgesteld of de echtgenoot met ingang van 1 juli 1989 verzekerd is geraakt voor de AOW. Verzekering ingevolge artikel 8, tweede lid, van KB 164 komt tot stand indien het recht op uitkering, waaraan de verzekering voor de volksverzekeringen wordt ontleend, aansluit op (een eerdere periode van) verplichte verzekering. Dit betekent

dat - behoudens de toepassing van het overgangsrecht - voor degene die in het buitenland woont geen verzekering ontstaat op een later tijdstip dan op het moment van vertrek uit Nederland. Niet gebleken is dat de echtgenoot tijdig een verzoek als bedoeld in artikel 30 van KB 164 heeft gedaan.

5.10.

Uit de overwegingen onder 5.3 tot en met 5.9 volgt dat appellante niet verzekerd is op basis van zogeheten huwelijkse tijdvakken over de periode van 20 maart 1985 tot en met

1 januari 2000 en het pensioen van appellante over de periode van juli 2009 tot en met juli 2010 terecht is herzien.

5.11.

Met de rechtbank moet worden vastgesteld dat niet gebleken is van dringende redenen om af te zien van herziening. Niet kan worden gezegd dat de Svb geen consistente toepassing heeft gegeven aan zijn beleid, door vast te stellen dat geen sprake is van uitzonderlijke omstandigheden. Appellante heeft geen omstandigheden aangevoerd die - gegeven de terughoudende toets - de conclusie rechtvaardigen dat de Svb redelijkerwijs niet tot een andere conclusie heeft kunnen komen dan dat herziening met terugwerkende kracht onevenredig ingrijpend is geweest. Ingestemd wordt met de overweging van de rechtbank dat appellante een groot verwijt valt te maken, omdat zij de vermissing van haar echtgenoot nooit heeft gemeld en zij jarenlang formulieren op naam van haar echtgenoot heeft ingevuld (en onder zijn naam ondertekend).

5.12.

Van dringende redenen om af te zien van terugvordering is niet gebleken. Niet aannemelijk is dat de terugvordering leidt tot onaanvaardbare financiële of sociale gevolgen. Daarvoor is niet voldoende de stelling van appellante dat zij slechts met een AOW-pensioen van € 300,- per maand moet rondkomen.

5.13.

Uit de overwegingen 5.1 tot en met 5.12 volgt dat aangevallen uitspraak 1 dient te worden bevestigd.

6. Nu aangevallen uitspraak 2 dient te worden vernietigd en eerst in hoger beroep bestreden besluit 2 is voorzien van een toereikende onderbouwing is er aanleiding de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 980,- in beroep en op

€ 980,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, totaal € 1.960,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt aangevallen uitspraak 1;

- vernietigt aangevallen uitspraak 2;

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond;

- bepaalt dat de Svb aan appellante het in het beroep tegen bestreden besluit 2 en het in hoger

beroep tegen aangevallen uitspraak 2 betaalde griffierecht van in totaal € 163,- vergoedt;

- veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.960,-.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en

H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 september 2015.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) S. Aaliouli

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip ingezetenschap.

AP