Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3429

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-10-2015
Datum publicatie
08-10-2015
Zaaknummer
14/7034 WW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:9217, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering. Niet voldaan aan de wekeneis. Geen aanleiding voor een voorverlenging. Artikel 17a, eerste lid, van de WW moet restrictief worden uitgelegd. Detentie. Niet aannemelijk dat appellant onbetaald verlof is verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/7034 WW

Datum uitspraak: 7 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 november 2014, 14/2276 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Haze, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Haze. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordiger door

mr. W.M.J. Evers.

OVERWEGINGEN

1. Appellant is op 1 januari 2009 in dienst getreden van [naam] B.V. (werkgeefster). Appellant heeft in de periode van 4 juni 2013 tot en met 19 november 2013 in voorlopige hechtenis gezeten. Werkgeefster heeft met ingang van 4 juni 2013 de salarisbetaling stopgezet. Werkgeefster heeft appellant op 20 november 2013 met onmiddellijke ingang ontslagen.

2. Appellant heeft een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Het Uwv heeft bij besluit van 21 november 2013 appellant het recht op WW-uitkering ontzegd met ingang van 18 november 2013 op de grond dat appellant niet voldeed aan de in artikel 17 van de WW opgenomen zogenoemde wekeneis. Appellant heeft tegen het besluit van 21 november 2013 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 18 februari 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv zijn beslissing alleen op het punt van de eerste werkloosheidsdag gewijzigd, zodat appellant met ingang van 20 november 2013 het recht op WW-uitkering is ontzegd.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen, dat uit de rechtspraak valt af te leiden dat bij de toepassing van artikel 17a van de WW een restrictieve uitleg geldt. Dit brengt met zich dat de referteperiode niet kan worden voorverlengd. Voor zover appellant heeft aangevoerd dat hij zijn werkzaamheden in de penitentiaire inrichting zou hebben kunnen verrichten, heeft de rechtbank opgemerkt dat appellant niet daadwerkelijk werkzaam is geweest. Voorts is de rechtbank van oordeel dat appellant met zijn toelichting dat hij geen werkzaamheden heeft verricht omdat hij veelvuldig bij de medische dienst kwam en zijn hoofd bij de strafzaak wilde houden, heeft bevestigd dat hij feitelijk niet in staat is geweest zijn arbeid te verrichten, zodat niet uitsluitend het onbetaalde verlof er de oorzaak van is geweest dat hij niet heeft gewerkt. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv terecht heeft gesteld dat appellants detentie niet aangemerkt kan worden als onbetaald verlof als bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de WW.

4. In hoger beroep heeft appellant herhaald dat hij tijdens de periode van voorlopige hechtenis met zijn werkgeefster is overeengekomen dat hem onbetaald verlof werd verleend. Appellant heeft benadrukt dat hij er voor heeft gekozen om tijdens zijn verblijf in voorlopige hechtenis niet vanuit de penitentiaire inrichting zijn werkzaamheden te verrichten, hetgeen gelet op de aard van zijn werkzaamheden wel had gekund. De 36 kalenderweken voorafgaande aan de hechtenis dienen volgens appellant aldus te worden betrokken bij de beoordeling of hij voldoet aan de wekeneis.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar onderdeel 3 van de aangevallen uitspraak.

5.2.

Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, houdt in dat volgens hem aanleiding bestaat om toepassing te geven aan artikel 17a, eerste lid, van de WW. Het is vaste rechtspraak dat artikel 17a, eerste lid, van de WW restrictief moet worden uitgelegd. Deze restrictieve uitleg brengt mee dat slechts dan sprake kan zijn van voorverlenging van de referteperiode, indien zich één van de in artikel 17a, eerste lid, van de WW aangegeven situaties voordoet én uitsluitend die situatie er de oorzaak van is dat de betrokken werknemer niet heeft gewerkt (zie o.a. CRvB 13 oktober 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0307).

5.3.

Appellant heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat hem onbetaald verlof is verleend verwezen naar zijn brief van 11 juli 2013 aan ‘the owners’ van werkgeefster. Appellant bevestigt in deze brief een telefoongesprek dat zou hebben plaatsgevonden. Uit deze brief blijkt echter niet met wie appellant zou hebben gesproken. Bovendien wordt slechts melding gemaakt van het feit dat een ‘unpaid leave’ zou zijn overeengekomen. Of hem daadwerkelijk onbetaald verlof is verleend in de zin van artikel 1 onder g van de WW blijkt niet uit deze brief. Van een daadwerkelijke instemming van werkgeefster met onbetaald verlof is ook niet gebleken. In de brief waarbij appellant met onmiddellijke ingang ontslag is verleend, wordt slechts gerefereerd aan de inhouding van het salaris als gevolg van de detentie van appellant en wordt niet gesproken over een onbetaald verlof. Nu niet aannemelijk is geworden dat appellant onbetaald verlof is verleend, is voor een voorverlenging van de referteperiode geen aanleiding.

5.4.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2015.

(getekend) C.C.W. Lange

(getekend) D. van Wijk

HD