Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3399

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-10-2015
Datum publicatie
12-10-2015
Zaaknummer
14/2006 WIJ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Geen hoofdverblijf in gemeente. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij 5 maanden woonde in de gemeente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2006 WIJ

Datum uitspraak: 6 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

28 februari 2014, 13/4825 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.A.J. van Putten, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2015. Namens appellante is mr. Van Putten verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

M.W. Meijer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 29 oktober 2010 een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ), berekend naar de norm voor een alleenstaande ouder. Het college heeft de inkomensvoorziening van appellante met ingang van 1 januari 2012 omgezet naar bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Het bij het college bekende adres van appellante is [uitkeringsadres] in Almere, het adres van haar vader (uitkeringsadres).

1.2.

Op grond van het vermoeden dat appellante in de gemeente Lelystad samenwoont met

[L.] (L), de vader van haar kind, heeft een onderzoek plaatsgevonden naar de rechtmatigheid van de uitkering van appellante. In dat kader is dossieronderzoek verricht, zijn gegevens in externe bestanden geraadpleegd en hebben waarnemingen plaatsgevonden. Het dossier is vervolgens voor verder onderzoek overgedragen aan het samenwerkingsverband Sociale Recherche Flevoland (SRF). In het kader van dit onderzoek heeft de SRF onder meer getuigen gehoord en zijn appellante en L verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport dat is afgesloten op 20 december 2012.

1.3.

Bij besluit van 11 januari 2013 heeft het college de uitkeringen van appellante over de periode van 29 oktober 2010 tot en met 30 november 2012 herzien (lees: ingetrokken). Voorts heeft het college daarbij de gemaakte uitkeringskosten over die periode tot een bedrag van

€ 34.581,02 van appellante teruggevorderd. Bij besluit van 14 januari 2013 heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 1 december 2012 ingetrokken.

1.4.

Bij besluit van 12 augustus 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen de besluiten van 11 januari 2013 en 14 januari 2013 ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust op de grond dat appellante vanaf 29 oktober 2010 niet haar hoofdverblijf had in de gemeente Almere, waardoor zij geen recht had op uitkeringen ingevolge de WIJ en de WWB van die gemeente.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij heeft daarbij aangevoerd dat zij niet onafgebroken in Lelystad heeft verbleven. Zij had nogal eens ruzie met L en ging dan ook vaak weer naar haar vader in Almere. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat zij over de periodes dat zij in Almere verbleef wel recht had op uitkering. Dit was in elk geval zo gedurende een periode van vijf maanden in 2012. Zij heeft verwezen naar een verklaring van haar vader van 21 januari 2013.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In hoger beroep wordt niet langer bestreden dat appellante vanaf 29 oktober 2010 niet meer woonde op het uitkeringsadres, maar op het adres van L en dat zij hiervan, in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting, geen mededeling heeft gedaan aan het college. Appellante heeft haar standpunt dat de schending van de inlichtingenverplichting haar niet kan worden verweten niet nader onderbouwd, zodat dit standpunt reeds hierom niet wordt gevolgd. Het geschil is beperkt tot de vraag of een periode van vijf maanden is aan te wijzen dat appellante wel op het uitkeringsadres woonde.

4.2.

Nu vaststaat dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden, ligt het op haar weg om haar stelling dat zij gedurende een periode van vijf maanden op het uitkeringsadres woonde aannemelijk te maken. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellante hierin niet is geslaagd. Appellante heeft niet concreet aangegeven welke maanden dit zijn geweest. De vader van appellante heeft in zijn verklaring van 21 januari 2013 weliswaar vermeld dat zijn dochter en kleindochter in 2012 zo’n vijf maanden bij hem hebben gewoond, maar hij heeft daarbij niet aangeduid wanneer deze periode van vijf maanden is begonnen en geëindigd. Daarbij komt dat drie getuigen, woonachtig nabij het adres van L in Lelystad, tegenover de SRF hebben verklaard dat appellante niet gedurende een periode van vijf maanden van dat adres is weggeweest. Een van de getuigen heeft verklaard dat zij een week, hooguit twee weken weg is geweest en een andere getuige heeft verklaard dat de auto van appellante misschien een paar weken niet voor de deur heeft gestaan, maar nooit vijf maanden of langer. Ook de derde getuige heeft verklaard dat appellante naar zijn weten niet een langere periode weg is geweest of elders heeft gewoond. Zij gaat wel eens naar haar vader, maar haar auto staat altijd voor de deur. Het is hem niet opgevallen dat de auto een langere periode weg is geweest.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en Y.J. Klik en J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2015.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) W. de Braal

HD