Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3397

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-10-2015
Datum publicatie
12-10-2015
Zaaknummer
14/2607 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag langdurigheidstoeslag 2011 en verder. Inkomsten boven bijstandsnorm.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2607 WWB

Datum uitspraak: 6 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

4 april 2014, 13/5015 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Klootwijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2015. Namens appellant is

mr. Klootwijk verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. E.M. Vrijsen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 24 juli 2012 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Op 19 maart 2013 heeft hij een aanvraag ingediend voor een langdurigheidstoeslag over de jaren 2011, 2012 en 2013.

1.2.

Bij besluit van 27 mei 2013 heeft het college de aanvraag van appellant niet in behandeling genomen.

1.3.

Bij besluit van 13 september 2013 heeft het college het tegen het besluit van 27 mei 2013 gemaakte bezwaar gegrond verklaard, de aanvraag alsnog in behandeling genomen en deze afgewezen. Aan de besluitvorming is ten grondslag gelegd dat appellant van 27 september 2008 tot en met 26 maart 2009 inkomen heeft ontvangen van Ergon en dat geen sprake is van een minimuminkomen gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden. De inkomsten uit arbeid zijn niet lager geweest dan € 1.500,- netto per jaar, zodat de inkomsten uit arbeid in de jaren 2008 en 2009 volledig meetellen voor de vaststelling van de hoogte van het inkomen in die jaren.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hoogte van de inkomsten die appellant van 27 september 2008 tot en met 26 maart 2009 heeft ontvangen uit een arbeidsovereenkomst bij Ergon zijn niet in geschil.

4.2.

De beroepsgrond dat deze inkomsten niet in aanmerking dienen te worden genomen bij de vaststelling van het recht op langdurigheidstoeslag van appellant, faalt.

4.3.

Artikel 36, eerste lid, van de WWB is bij wet van 29 december 2008, Stb. 2008, 586, met ingang van 1 januari 2009 gewijzigd en luidt sinds die datum als volgt. Het college verleent op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, die langdurig een laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft en geen uitzicht heeft op inkomensverbetering.

4.4.

Artikel 8 van de WWB is bij wet van 29 december 2008, Stb. 2008, 592, met ingang van 1 januari 2009 eveneens gewijzigd. In artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de WWB, welk onderdeel met ingang van die datum is toegevoegd, is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt met betrekking tot het verlenen van een langdurigheidstoeslag als bedoeld in artikel 36. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, welk onderdeel eveneens met ingang van 1 januari 2009 is toegevoegd, hebben deze regels in ieder geval betrekking op de hoogte van de langdurigheidstoeslag en de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen langdurig en laag inkomen.

4.5.

Uit de wetsgeschiedenis van de in 4.3 en 4.4 vermelde wetten valt af te leiden dat gemeenten vrij zijn in de wijze waarop zij invulling geven aan het begrip ‘langdurig’. Zie de uitspraak van 18 september 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX8803.

4.6.

De in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de WWB bedoelde verordening is de Verordening Langdurigheidstoeslag gemeente Eindhoven (Verordening). Artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening bepaalt dat een langdurigheidstoeslag wordt verleend aan een persoon van 23 of ouder doch jonger dan 65 jaar die: gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden voorafgaande aan de aanvraag een inkomen heeft dat niet hoger is dan de voor de aanvrager geldende bijstandsnorm en geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van de wet. In de begripsbepalingen van de Verordening is het begrip inkomen niet nader omschreven.

4.7.

De rechtbank heeft er terecht op gewezen dat het inkomensbegrip in artikel 36 van de WWB met ingang van 1 januari 2009 is gewijzigd, in die zin dat daarbij geen restricties meer gelden. Ook in de relevante bepalingen van de Verordening zijn geen restricties opgenomen. Dat betekent dat het college de volledige inkomsten van appellant in de periode van

27 september 2008 tot en met 26 maart 2009 als inkomen in aanmerking heeft kunnen nemen bij het vaststellen van het recht op langdurigheidstoeslag.

4.8.

De Raad heeft in de uitspraak van 10 april 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW2510, geoordeeld dat het aanvaardbaar is dat het bijstandverlenend orgaan bij de beantwoording van de vraag of iemand tijdens de referteperiode inkomen boven een bepaalde grens heeft genoten, de situatie per maand beziet. Er is, bij gebreke aan een afwijkende systematiek in de Verordening, geen grond daarover thans anders te oordelen. Daarvan uitgaande heeft het college op goede gronden vastgesteld dat het inkomen van appellant in de referteperiode in de periode van 27 september 2008 tot en met 26 maart 2009 boven de voor hem geldende bijstandsnorm heeft gelegen, zodat dit inkomen gelet op het bepaalde in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening aan toekenning van de gevraagde langdurigheidstoeslag in de weg staat.

4.9.

In het bepaalde in artikel 4 van de Verordening is geen grond gelegen om in afwijking van het bepaalde in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening het inkomen buiten beschouwing te laten. De inkomsten van appellant overstijgen namelijk het in artikel 4 van de Verordening genoemde bedrag van € 1.500,- per jaar.

4.10.

Appellant heeft nog gewezen op bijzondere omstandigheden, maar de rechtbank heeft terecht geoordeeld dat voor het maken van een belangenafweging in dit verband geen ruimte is.

4.11.

Omdat appellant al niet voldeed aan de voorwaarde van een langdurig laag inkomen, kan de beroepsgrond dat ten onrechte niet is getoetst aan de in artikel 36 van de WWB neergelegde voorwaarden over het vermogen en het uitzicht op inkomensverbetering buiten bespreking blijven.

4.12.

Uit 4.1 tot en met 4.11 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en Y.J. Klik en J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2015.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) W. de Braal

HD