Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3394

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-10-2015
Datum publicatie
12-10-2015
Zaaknummer
14/542 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Verzwegen bankrekening. Boven vermogensgrens. Studieschuld wordt niet als schuld in aanmerking genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/542 WWB

Datum uitspraak: 6 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 13 december 2013, 13/2624 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.H. van Dijck, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2015. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. S. Dijkman Dulkes-Wan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 28 november 2011 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande. Daarvoor ontving appellant een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren. Bij de toekenning van de bijstand heeft het college het saldo van de bezittingen en de schulden van appellant vastgesteld op € 1.192,23 negatief.

1.2.

Naar aanleiding van een melding van het Landelijk Inlichtingenbureau dat appellant, naast de bij het college bekende bankrekening, beschikte over een bankrekening met een positief saldo van € 8.640,- per 31 december 2010, heeft een bijzonder controleur, werkzaam bij het Bureau Fraudebestrijding van de afdeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Haarlem een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is appellant verzocht nadere gegevens te verstrekken en is op 16 mei 2012 met hem een gesprek gevoerd. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 16 oktober 2012.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

2 november 2012, voor zover hier van belang, de bijstand van appellant in te trekken over de periode van 28 november 2011 tot en met 16 februari 2012 en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.289,52 van appellant terug te vorderen. Aan dit besluit heeft het college, voor zover hier van belang, ten grondslag gelegd dat appellant een niet-gemelde rekening op naam had staan waarvan het saldo bij aanvang van de bijstandsverlening € 14.250,22 bedroeg. Rekening houdend met dit saldo overschreed het vermogen van appellant het vrij te laten vermogen van € 5.555,- voor een alleenstaande, zodat hij geen recht had op bijstand.

1.4.

Bij besluit van 2 mei 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 2 november 2012 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ter beoordeling ligt voor de periode van 28 november 2011 tot en met 16 februari 2012.

4.2.

Vaststaat dat het saldo van de bankrekeningen van appellant bij aanvang van de bijstand

€ 14.250,22 bedroeg. Appellant heeft allereerst aangevoerd dat het college bij de vaststelling van zijn vermogen rekening had moeten houden met zijn studieschuld bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO).

4.3.

Schulden kunnen in het kader van de toepassing van de WWB uitsluitend in aanmerking worden genomen indien de betrokkene aannemelijk maakt dat zij bestaan en dat daaraan een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling is verbonden. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 11 mei 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM4124) is de verplichting tot aflossing van een studieschuld in het kader van de Wet studiefinanciering 2000 mede afhankelijk van de draagkracht van de betrokkene en staat daarom niet op voorhand vast dat een studieschuld daadwerkelijk (geheel) moet worden terugbetaald. Dat dit in zijn geval anders is, heeft appellant met de door hem ingebrachte brief van DUO van 27 juni 2012 niet aannemelijk gemaakt. In deze brief deelt DUO mee dat appellant vanaf januari 2013, na de hier ter beoordeling staande periode, verplicht is de lening af te lossen. Deze schuld heeft het college dan ook terecht niet in mindering gebracht op het positieve saldo van de bankrekeningen van appellant. De in 4.2 vermelde beroepsgrond slaagt daarom niet.

4.4.

Wat appellant verder heeft aangevoerd, komt erop neer dat het college had moeten afzien van terugvordering. Appellant heeft er in dat verband op gewezen dat het geld op de verzwegen bankrekening bedoeld was om de studieschuld af te lossen. Hij acht het onbillijk dat hij enkel vanwege een later bepaald tijdstip van aflossing (de Raad begrijpt: door DUO) nu zowel de studieschuld als de teruggevorderde bijstand moet aflossen. Ten slotte heeft appellant erop gewezen dat hij op grond van een besluit van het college van 19 september 2012 ook nog een aanzienlijk bedrag aan teruggevorderde inkomensvoorziening moet terugbetalen aan het college.

4.5.

Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Het college heeft gehandeld in overeenstemming met het bij terugvordering gehanteerde beleid. Dit beleid houdt in dat van terugvordering wordt afgezien als strikte toepassing van de beleidsregels leidt tot onbillijkheden van zwaarwegende aard. Dat daarvan in zijn geval sprake is, heeft appellant met wat hij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt. Wat appellant heeft aangevoerd, leidt evenmin tot het oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van dit beleid had moeten afwijken.

4.6.

Uit wat in 4.2 tot en met 4.5 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2015.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) R.G. van den Berg

HD