Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3390

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-10-2015
Datum publicatie
12-10-2015
Zaaknummer
14/1677 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering kwijtschelding voor fraudevorderingen. Het college heeft gehandeld in overeenstemming met het beleid zoals neergelegd in de beleidsregels en de werkvoorschriften door geen kwijtschelding te verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/1677 WWB

Datum uitspraak: 6 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 februari 2014, 13/4736 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. N. Velthorst, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 14 juli 2015. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 25 november 1999 heeft het college de bijstand van appellant en zijn partner over de periode van 3 november 1997 tot en met 7 mei 1999 herzien in verband met verzwegen inkomsten uit arbeid, en de over deze periode ten onrechte gemaakte kosten van bijstand ten bedrage van fl. 21.552,07 van appellant teruggevorderd.

1.2.

Bij besluit van 15 maart 2004 heeft het college de bijstand van appellant en zijn partner over de perioden van 1 februari 2001 tot en met 29 januari 2003 en van 1 april 2003 tot en met 30 september 2003 ingetrokken in verband met niet-opgegeven inkomsten en werkzaamheden, en de over deze perioden ten onrechte gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 39.109,87 van appellant teruggevorderd.

1.3.

Bij besluit van 23 mei 2005 heeft het college de bijstand van appellant en zijn partner over de periode van 1 februari 2005 tot en met 31 maart 2005 ingetrokken in verband met de weigering van de partner om een inkomstenformulier met betrekking tot die periode te ondertekenen. Bij besluit van 25 juli 2005 heeft het college de als gevolg hiervan ten onrechte gemaakte kosten van bijstand ten bedrage van € 1.344,52 teruggevorderd. Bij een tweede besluit van 25 juli 2005 heeft het college appellant en zijn partner bericht dat na verrekening nog een schuld resteert van € 45.624,12 en dat zij vanaf 1 augustus 2005 € 760,40 per maand dienen af te lossen.

1.4.

Op 3 oktober 2005 heeft het college op verzoek van appellant en zijn partner een draagkrachtberekening uitgevoerd. Op grond daarvan heeft verweerder bij besluit van

4 oktober 2005 bepaald dat appellant en zijn partner met ingang van 1 oktober 2005 een bedrag van € 389,58 per maand dienen af te lossen. Op 21 oktober 2005 heeft het college op verzoek van appellant en zijn partner opnieuw een draagkrachtberekening uitgevoerd. Op grond daarvan heeft het college bij besluit van 24 oktober 2005 bepaald dat appellant en zijn partner met ingang van 1 oktober 2005 een bedrag van € 114,- per maand dienen af te lossen.

1.5.

Op 13 april 2006 heeft het college vastgesteld dat de schuld € 46.417,40 bedraagt en dat er geen aflossingen hebben plaatsgevonden. Bij brief van 13 september 2007 heeft het college het dossier ter executie overgedragen aan gerechtsdeurwaarderskantoor de Klerk en Vis BV te Amsterdam (deurwaarder) omdat appellant en zijn partner niet bereid waren het verschuldigde bedrag vrijwillig te voldoen. De deurwaarder heeft vervolgens een aflossingsregeling getroffen. Na november 2008 zijn geen betalingen meer gedaan. Op

17 november 2008 heeft de deurwaarder beslag gelegd op de inkomsten van appellant. Op

14 september 2009 heeft de deurwaarder beslag gelegd op de huisraad van appellant. Daarna is een minnelijke regeling getroffen.

1.4.

Bij brief van 14 maart 2013 hebben appellant en zijn partner het college verzocht om kwijtschelding van de openstaande vorderingen.

1.5.

Bij besluit van 13 mei 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 juli 2013 (bestreden besluit), heeft het college dit verzoek afgewezen. Aan de afwijzing heeft het college ten grondslag gelegd dat niet is voldaan aan de in de Beleidsregels WWB, IOAW en IOAZ (beleidsregels) gestelde voorwaarden om voor kwijtschelding in aanmerking te komen. De vorderingen zijn immers ontstaan door meerdere schendingen van de inlichtingenverplichting (recidive) en is door middel van vereenvoudigd derdenbeslag en overdracht aan de deurwaarder geïnd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe met verwijzing naar de hier toepasselijke bepalingen van de beleidsregels en de Werkvoorschriften WWB (werkvoorschriften) overwogen dat het college vrijheid heeft bij het uitoefenen van de bevoegdheid tot het verlenen van kwijtschelding. Het college heeft gehandeld in overeenstemming met het beleid zoals neergelegd in de beleidsregels en de werkvoorschriften door geen kwijtschelding te verlenen. Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat de vorderingen op appellant zijn ontstaan als gevolg van het meermalen niet voldoen aan de inlichtingenverplichting en dat niet is gebleken dat appellant onvoldoende de gelegenheid heeft gehad om een minnelijke regeling te treffen.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft wederom aangevoerd dat de vorderingen op hem niet het gevolg zijn van het meerdere malen niet voldoen aan de inlichtingenverplichting. Voorts heeft hij opnieuw aangevoerd dat hem onvoldoende gelegenheid is gegeven om een minnelijke regeling te treffen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de in beroep aangevoerde gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is.

4.2.

Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2015.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) R.G. van den Berg

HD