Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3388

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-10-2015
Datum publicatie
08-10-2015
Zaaknummer
13/4560 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Hoewel door het Uwv niet wordt bestreden dat er een causale relatie bestaat tussen de vermoeidheidsklachten van appellante en de ondergane chemotherapie, bevatten de voorliggende (medische) gegevens onvoldoende aanknopingspunten om met betrekking tot deze klachten meer beperkingen in de FML aan te nemen. Geen aanknopingspunten voor de opvatting dat de door de arbeidsdeskundige geselecteerde en aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht niet passend zouden zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/4560 WIA

Datum uitspraak: 2 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

9 juli 2013, 13/407 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Als partij heeft tevens aan het geding deelgenomen [Stichting Z.], gevestigd te [vestigingsplaats] ((ex-)werkgever).

PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld door mr. D. van der Wal.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft de (ex-)werkgever medegedeeld als partij aan het geding te willen deelnemen.

Appellante heeft meegedeeld geen toestemming te verlenen haar medische gegevens ter kennis van de (ex-)werkgever te brengen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2015. Appellante is verschenen bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. D. de Jong. De (ex-)werkgever is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, laatstelijk werkzaam als verzorgende, heeft in 2007 een operatie ondergaan in verband met een mammacarcinoom en zij is aansluitend behandeld met chemotherapie. In 2009 heeft zij haar werkzaamheden hervat. Op 4 maart 2010 is appellante uitgevallen met vermoeidheidsklachten.

1.2.

Overeenkomstig de uitkomst van het verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 17 augustus 2012 vastgesteld dat voor appellante geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan omdat zij met ingang van 1 maart 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt was.

1.3.

Naar aanleiding van het bezwaar van appellante tegen laatstgenoemd besluit heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanleiding gezien de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op een aantal beoordelingspunten aan te scherpen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens nieuwe functies voor appellante geselecteerd. Op basis van deze functies kwam hij tot de conclusie dat appellante nog steeds minder dan 35% arbeidsongeschikt moet worden geacht. In overeenstemming met de uitkomsten van de heroverweging heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 17 augustus 2012 bij besluit van 17 december 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep haar in eerste aanleg aangevoerde gronden gehandhaafd. Onder verwijzing naar uitspraken van de Raad stelt appellante zich op het standpunt dat zij vanwege ernstige vermoeidheid na behandelingen met chemotherapie verdergaand beperkt moet worden geacht, met name acht zij een urenbeperking aangewezen. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft zij gewezen op de in het dossier aanwezige medische gegevens.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In de door appellante aangehaalde uitspraak van de Raad van 6 september 2000 (ECLI:NL:CRVB:2000:AA8466) heeft de Raad overwogen dat in kringen van oncologen en radiotherapeuten niet omstreden is dat in gevallen waarin na chemotherapie of bestraling zich extreme vermoeidheidsklachten van een bepaalde duur en intensiteit voordoen deze klachten in een bepaald causaal verband staan met de doorgemaakte ziekte of de daartegen ondergane therapie. De Raad heeft dat verband plausibel geacht. De enkele omstandigheid dat de precieze aard van de causale relatie (nog) niet bekend is - en in zoverre het bestaan van vermoeidheidsklachten in verband met kankerbehandeling niet aan de hand van meetbare gegevens kan worden aangetoond - leidt niet tot een andere conclusie.

4.2.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat - hoewel door het Uwv niet wordt bestreden dat er een causale relatie bestaat tussen de vermoeidheidsklachten van appellante en de ondergane chemotherapie - deze voorliggende (medische) gegevens onvoldoende aanknopingspunten bevatten om met betrekking tot deze klachten meer beperkingen in de FML aan te nemen. Blijkens het rapport van de verzekeringsarts heeft appellante op 12 juli 2012 verklaard dat haar klachten met name zijn gelegen in pijnklachten aan de linkerarm en dat haar moeheid is afgenomen ten opzichte van de beoordeling in het kader van het deskundigenoordeel een jaar geleden. Bij stressvolle situaties heeft zij nog wel last van vermoeidheid. De verzekeringsarts heeft gelet op zijn onderzoeksbevindingen en de informatie uit de behandelend sector geconcludeerd dat geen medische redenen bestaan voor een duurbeperking nu appellante geen dagtherapie volgt en geen sprake (meer) is van een ernstige energierovende aandoening. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft evenmin aanleiding gezien om een duurbeperking aan te nemen. Hij acht daarbij van belang dat appellante blijkens haar dagverhaal weer een normale dagvulling heeft, sprake is van een stabiele situatie betreffende het mammacarcinoom en een goede reactie op de psychologische interventie. Wel achtte hij van belang dat appellante, gelet op een wat beperkte stressbestendigheid, voldoende beperkt moest worden ten aanzien van de psychomentale belasting. Daarom heeft hij in de FML aanvullende beperkingen aangenomen op de beoordelingspunten 1.9.7 (werk zonder veelvuldige dealines of productiepieken) en 1.9.10 (geen werkzaamheden die een langdurig hoge mate van concentratie vergen). Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) overtuigend heeft gemotiveerd waarom het niet nodig was om met betrekking tot de datum hier in geding, 1 maart 2012, een urenbeperking voor appellante aan te nemen, alsmede aanvullende beperkingen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren. De Raad acht daarbij niet zonder belang dat ook klinisch psycholoog/psychotherapeut J.L. Uneken op 1 november 2011 heeft aangegeven dat appellante bij afsluiting van haar behandeling voor haar vermoeidheidsklachten, die waren ontstaan na behandeling van haar mammacarcinoom en overbelasting, beter is staat was zichzelf en haar grenzen serieus te nemen. Appellante heeft in (hoger) beroep geen medische gegevens in het geding gebracht die de Raad tot een ander oordeel moeten leiden.

4.3.

Aldus uitgaande van de juistheid van de bij appellante vastgestelde medische beperkingen, heeft de Raad geen aanknopingspunten voor de opvatting dat de door de arbeidsdeskundige geselecteerde en aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht niet passend zouden zijn. Daarbij neemt hij in aanmerking dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van 13 december 2012 nader heeft toegelicht waarom de belasting in de geselecteerde functies de belastbaarheid van appellante niet te boven gaat.

5. Hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen leidt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2015.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) I. Mehagnoul

UM