Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3377

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-10-2015
Datum publicatie
12-10-2015
Zaaknummer
14/4464 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging van toeslag met 10% omdat appellant als kamerbewoner de kosten kan delen. Gewijzigd beleid geen strijd met rechtszekerheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4464 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 4 juli 2014, 14/1312 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.L. Crutzen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2015. Namens appellant is

mr. Crutzen verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.F. Dekker.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 21 september 1992 bijstand, ten tijde in geding op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20%. Appellant bewoont een kamer op [het adres] te [woonplaats] en deelt daar een keuken en een badkamer met anderen.

1.2.

Bij besluit van 22 januari 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 maart 2014 (bestreden besluit), heeft het college met ingang van 1 maart 2014 de toeslag verlaagd naar 10%. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant als kamerbewoner bepaalde woonvoorzieningen zoals keuken en badkamer kan delen met anderen. Op grond van artikel 3, vierde lid, van de Toeslagenverordening WWB 2014 van de gemeente Heerlen (verordening) heeft appellant daarom geen recht op een toeslag van 20%, maar op een toeslag van 10%.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat niet in geschil is dat appellant een onzelfstandige woonruimte huurt en dat hij met andere kamerbewoners zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft. Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat artikel 3, vierde lid, van de verordening van toepassing is. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat naar vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 3 juli 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA9386) niet bepalend is of woonkosten feitelijk worden gedeeld maar of die kosten, waaronder kosten van gas, water en licht in de gemeenschappelijke ruimtes, kunnen worden gedeeld. Voor een verhoging van de toeslag met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de WWB heeft de rechtbank geen grond aanwezig geacht. De ingangsdatum van de verlaging van de toeslag, 1 maart 2014, is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de ingangsdatum van de verordening, 1 januari 2014, en de aankondiging daarvan in het informatiebulletin ‘Plussen en Minnen’ van december 2013, niet onredelijk.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij betwist dat hij woonkosten deelt met anderen. In dat verband heeft hij erop gewezen dat hij een eigen magnetron, koelkast en wasmachine heeft. Appellant is van mening dat geen individuele beoordeling heeft plaatsgevonden. Voorts heeft appellant aangevoerd dat hij door de verlaging van de toeslag niet meer in de kosten van zijn levensonderhoud kan voorzien.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor de hier van toepassing zijnde bepalingen van de WWB en de verordening verwijst naar de aangevallen uitspraak.

4.1.

De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn in wezen een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen van de aangevallen uitspraak waarop dat oordeel rust. De Raad voegt daaraan het volgende toe.

4.2.

Anders dan appellant heeft aangevoerd heeft het college het bestreden besluit kunnen nemen zonder voorafgaand huisbezoek. Het achterwege laten daarvan betekent niet dat geen individuele beoordeling heeft plaatsgevonden. Niet in geschil is immers dat appellant de kosten van gas, licht en water van de gezamenlijke ruimtes kan delen. Het feit dat hij over een eigen magnetron, koelkast en wasmachine beschikt doet daaraan niet af.

4.3.

Het feit dat de woonsituatie van appellant al tientallen jaren hetzelfde is brengt voorts, anders dan appellant meent, niet mee dat het college de toeslag redelijkerwijs niet met ingang van 1 maart 2014 heeft kunnen verlagen. De gemeenteraad van de gemeente Heerlen heeft het beleid met ingang van 1 januari 2014 gewijzigd en vastgelegd in de verordening. Daartoe was de gemeenteraad, zoals niet in geschil is, bevoegd. Het nieuwe beleid is, zoals evenmin in geschil is, niet kennelijk onredelijk. Voor zover appellant heeft bedoeld te stellen dat de toepassing van de verordening in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel, slaagt deze beroepsgrond niet. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen is appellant tijdig van de beleidswijziging in kennis gesteld.

4.4.

In wat appellant heeft aangevoerd zijn voorts geen bijzondere omstandigheden gelegen op grond waarvan het college van de beleidsregel had moeten afwijken. De omstandigheid dat appellant blijkens een besluit van 29 april 2015 met ingang van 1 januari 2015 in aanmerking is gebracht voor bijstand naar de norm van een alleenstaande die niet met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning een hoofdverblijf heeft, vormt niet een zodanige omstandigheid, reeds omdat dat besluit niet is gebaseerd op de WWB, maar op de Participatiewet. Die wet kent een van de WWB afwijkend normenstelsel. Wat appellant heeft aangevoerd over zijn zorgelijke financiële omstandigheden vormt evenmin zodanige omstandigheid.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal dan ook worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2015.

(getekend) F. Hoogendijk

(getekend) C.M. Fleuren

HD