Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3353

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-10-2015
Datum publicatie
06-10-2015
Zaaknummer
14/4108 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Het medisch onderzoek is toereikend en voldoende zorgvuldig geweest. De geselecteerde functies zijn voor appellant passend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4108 WIA

Datum uitspraak: 2 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

30 juni 2014, 14/1077 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Akkaya, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2015. Appellant is met bericht van verhindering niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat met vermelding van het volgende.

1.2.

Bij besluit van 8 oktober 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 februari 2014 (bestreden besluit), heeft het Uwv - onder meer - vastgesteld dat appellant met ingang van

9 december 2013 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder is dan 35%.

2.1

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven, het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

2.2.

Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat de rapporten van de verzekeringsartsen voldoende zorgvuldig tot stand gekomen zijn. Ook zijn de rapporten voldoende gemotiveerd. De verzekeringsartsen hebben deugdelijk onderbouwd welke beperkingen zij bij appellant aanwezig achten. Appellant heeft geen medische stukken ingebracht die het oordeel van de verzekeringsartsen tegenspreken. Het in de bezwaarfase ingebrachte rapport van psychiater W. van Rooij onderschrijft het standpunt van de verzekeringsartsen juist. Van Rooij heeft gerapporteerd dat de ernstige psychische aandoening waarvan per 2 december 2011 werd ingeschat dat deze leidde tot geen benutbare arbeidsmogelijkheden, niet meer aanwezig is. Van Rooij heeft te kennen gegeven dat het opnieuw aan het werk gaan vanuit de behandelend sector wordt aangemoedigd, omdat dit het lichamelijk en psychisch herstel van appellant meer zal bevorderen dan verdere psychologische of psychiatrische behandeling. Daarbij zal rekening moeten worden gehouden met beperkingen, zoals deze adequaat zijn weergegeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst. Ten aanzien van het in beroep ingebrachte rapport van psychiater J.P.M. Gerards van 20 juni 2014 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gerapporteerd dat de door Gerards gestelde diagnose bevestigt dat het hier gaat om een relatief milde stoornis, waarmee bij de beoordeling van de primaire verzekeringsarts in ruime mate rekening is gehouden. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geeft de informatie van Gerards geen ander beeld te zien dan het beeld dat al bekend was uit eerdere informatie. De rechtbank heeft dit standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onderschreven. De subjectieve beleving van appellant dat aan hem de kracht ontbreekt om te kunnen werken, is in het licht van het wettelijke arbeidsongeschiktheidscriterium onvoldoende om twijfel op te roepen aan de juistheid van de ten aanzien van hem vastgestelde belastbaarheid (zie onder andere de uitspraak van de Raad van 6 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1717).

3.1.

In hoger beroep heeft appellant herhaald - kort samengevat - dat zijn psychische en lichamelijke klachten onvoldoende zijn meegewogen en dat gelet op zijn klachten de door het Uwv aangenomen beperkingen onvoldoende zijn. Hij heeft daarom ook bezwaren tegen de arbeidsmogelijkheden.

3.2.

In het verweerschrift heeft het Uwv verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad stelt vast dat tussen partijen in geschil is de vaststelling van het Uwv dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in het kader van de Wet WIA met ingang van

9 december 2013 minder is dan 35%.

4.2.

Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit, is in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft betoogd. De rechtbank heeft deze gronden uitvoerig en afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat de desbetreffende gronden niet slagen. De overwegingen die aan dat oordeel ten grondslag liggen worden onderschreven. Het medisch onderzoek is toereikend en voldoende zorgvuldig geweest. Alhoewel door appellant toegezegd, heeft hij in hoger beroep geen medische gegevens ingebracht die tot een ander oordeel moeten leiden met betrekking tot zijn medische belastbaarheid per de datum in geding.

4.3.

De Raad volgt ook het oordeel van de rechtbank dat gelet op de motivering van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de geselecteerde functies voor appellant passend zijn.

4.4.

Uit 4.1, 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Dit betekent dat er geen grond is voor toekenning van de gevraagde schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaan geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling van het Uwv tot vergoeding van de wettelijke rente af.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2015.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) W. de Braal

UM