Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3345

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-10-2015
Datum publicatie
06-10-2015
Zaaknummer
13/2029 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak is gerectificeerd door de rectificatieuitspraak ECLI:NL:CRVB:2015:4524. De tekst van deze uitspraak is niet meer geldig. Zie ECLI:NL:CRVB:2015:4523 voor de gerectificeerde uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/2029 WAO

Datum uitspraak: 2 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

21 maart 2013, 12/1015 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2014. Namens appellant is verschenen mr. B. van Dijk, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. H. ten Brinke.

Het onderzoek ter zitting is geschorst. Naar aanleiding van een vraagstelling van de Raad heeft het Uwv stukken ingediend. Partijen hebben nadere stukken in het geding gebracht.

De enkelvoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de meervoudige kamer. Het onderzoek ter zitting is hervat op 21 augustus 2015 en is daar opnieuw behandeld. Appellant is verschenen met bijstand van mr. Van Dijk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. Ten Brinke.

OVERWEGINGEN

1.1.

Aan appellant is met ingang van 5 oktober 2003 wegens psychische klachten een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Met ingang van

8 november 2004 is deze uitkering herzien en nader vastgesteld op 25 tot 35% wegens sinds 10 november 2003 bestaande schouderklachten en epileptische aanvallen.

1.2.

In verband met toegenomen lichamelijke klachten als gevolg van spanningsklachten en later bijgekomen buikklachten heeft appellant van 20 december 2006 tot 17 maart 2008 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) ontvangen. Het bezwaar van appellant tegen de beëindiging van de ZW-uitkering (besluit van 13 maart 2008) is bij besluit van 17 april 2008 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 5 oktober 2010 heeft de rechtbank Assen het beroep van appellant gegrond verklaard, het besluit van 17 april 2008 vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen. Het Uwv is in hoger beroep gegaan. Bij uitspraak van 21 maart 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BV9948) heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van appellant tegen het besluit van 17 april 2008 ongegrond verklaard.

1.3.

Appellant heeft zich op 27 september 2011 bij het Uwv gemeld met het verzoek om een herbeoordeling van zijn WAO-uitkering wegens toegenomen maag- en buikklachten en hypertensie. In het kader van dit verzoek is appellant op 11 november 2011 onderzocht door de verzekeringsarts, die, na het inwinnen van informatie bij appellants behandelende internist, in zijn rapport van 19 december 2011 concludeerde dat appellants pijnaanvallen geen onderdeel waren van de weging van de belastbaarheid in het kader van de WAO in 2003. Met toepassing van artikel 37, tweede lid, van de WAO heeft het Uwv bij besluit van 20 januari 2012 besloten de uitkering niet te herzien.

1.4.

In de bezwaarprocedure heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 15 juni 2012 geconcludeerd niet af te wijken van de primaire verzekeringsgeneeskundige beoordeling, omdat sprake is van een nieuw ziektebeeld. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 januari 2012 is bij besluit van 18 juni 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank voorbij is gegaan aan zijn beroepsgrond dat het Uwv ten onrechte niet beoordeeld heeft of buiten twijfel was dat de geclaimde toegenomen arbeidsongeschiktheid uit een andere ziekteoorzaak voortkwam. Uit de voorhanden zijnde informatie blijkt niet zonder meer dat buiten twijfel staat dat de pancreatitis niet voortkomt uit een eerder al beoordeeld medisch complex. Ook de verzekeringsarts bezwaar en beroep sluit niet uit dat de latente chronische pancreatitis zich al in de periode 2002 - 2004 voordeed. De twijfel had dan ook ten voordele van appellant moeten strekken. De rechtbank is voorts buiten de rechtsstrijd getreden door te stellen dat in de FML van 2003 geen beperkingen zijn opgenomen die zijn te herleiden tot de in dit geding gestelde beperkingen als gevolg van de pancreatitis, omdat het Uwv deze motivering niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. Daarmee wordt ook miskend dat het niet nodig is specifieke beperkingen in de FML op te nemen om te spreken van toegenomen arbeidsongeschiktheid ingevolge artikel 37 van de WAO, daar waar het moet gaan om de ziekteoorzaak en niet de daaruit voortvloeiende beperkingen.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4.1.

Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

4.2.

In artikel 37 van de WAO is - kort samengevat en voor zover hier van belang - bepaald dat een herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, ter zake van toeneming van arbeidsongeschiktheid plaatsvindt zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken 52 weken heeft geduurd. In artikel 37, tweede lid, van de WAO is bepaald dat de in het eerste lid bedoelde herziening niet plaatsvindt indien de uitkeringsgerechtigde bij het intreden van de toegenomen arbeidsongeschiktheid uitsluitend op grond van artikel 7b van de WAO als werknemer wordt beschouwd en de toeneming kennelijk is voortgekomen uit een andere oorzaak dan die waaruit de ongeschiktheid, ter zake waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ontvangen, is voortgekomen.

4.3.

Het verzoek van appellant om herziening van zijn WAO-uitkering wegens toegenomen klachten dient, gelet op de strekking van dit verzoek, gesplitst te worden in een beoordeling van artikel 37, eerste lid, van de WAO over de periode dat appellant als werknemer verzekerd was (tot 17 april 2008) en in een beoordeling van artikel 37, tweede lid van de WAO over de periode dat appellant uitsluitend op grond van artikel 7b van de WAO als werknemer werd beschouwd (vanaf 17 april 2008). Het Uwv heeft zich in eerste instantie beperkt tot een beoordeling van artikel 37, tweede lid, van de WAO. Met betrekking tot deze beoordeling overweegt de Raad het volgende.

4.4.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of de toename van de arbeidsongeschiktheid na 17 april 2008 kennelijk is voortgekomen uit een andere oorzaak dan die waaruit de ongeschiktheid ter zake waarvan uitkering wordt genoten. Indien dit het geval is kan de toename van de arbeidsongeschiktheid op grond van het bepaalde in artikel 37, tweede lid, van de WAO, immers niet tot een verhoging van de uitkering van appellant leiden.

4.5.1.

Het Uwv heeft op verzoek van de Raad voor de toepassing van artikel 37, eerste lid, van de WAO onderzocht of sprake is van toegenomen buikklachten in de periode vanaf de toekenning van de WAO-uitkering (5 oktober 2003) tot het moment dat appellant uitsluitend verzekerd was op grond van artikel 7b van de WAO (17 april 2008). Blijkens het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 19 maart 2015 is hiervan geen sprake geweest. Weliswaar blijkt uit de opgevraagde informatie van de MDL-arts van 4 maart 2015 dat in 2005 sprake was van een afwijkend beeld van de alvleesklier en dat (daarbij) een chronische pancreatitis niet is uitgesloten, maar uit deze diagnose vloeien op zichzelf geen duurzame beperkingen voort. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij verwezen naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 april 2008 die in het kader van appellants hersteldmelding voor de ZW per 17 maart 2008 rapporteerde dat de frequentie van de buikpijnaanvallen, die blijkens een rapport van de verzekeringsarts uit november 2007 recent op waren gekomen, als gevolg van de pancreatitis niet hoog is en in het ergste geval gepaard gaat met één dag verzuim per twee weken. Het bijbehorende verzuimpercentage van 1 tot 10% is acceptabel. De Raad heeft dit standpunt eerder in een geschil over beëindiging van het ziekengeld onderschreven in zijn uitspraak van 21 maart 2012, waarin is geoordeeld dat appellants beperkingen aan schouder, psyche en alvleesklier sinds de WAO-beoordeling in 2004 niet zijn gewijzigd. Gelet op alle beschikbare medische gegevens is er geen aanleiding in het kader van het onderhavige geschil om anders te oordelen.

4.5.2.

Ter beantwoording van die vraag ziet de Raad zich daarbij in de eerste plaats gesteld voor de vraag welk moment in dit geval, waarin sprake is van een toekenning van een uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, gevolgd door een herziening naar 25 tot 35%, van belang is voor de vaststelling wat de oorzaak is in verband waarmee appellant een WAO-uitkering ontving. De Raad wijst in dit verband op zijn uitspraken van 28 januari 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AS5012, en

17 februari 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV2592. Uit die uitspraken volgt dat bovengenoemd moment in het onderhavige geval ligt op 5 oktober 2003. Op dat moment werd de uitkering van appellant immers voor het eerst berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%.

4.5.3.

Uit de gedingstukken komt niet meer of anders naar voren dan dat appellant op

5 oktober 2003 psychische klachten had. Uit de gedingstukken blijkt dat de psychische klachten van appellant verband hielden met een depressieve periode bij alcoholmisbruik met leverstoornissen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van

13 mei 2013 overtuigend gemotiveerd dat in 2011 geen sprake meer was van een gestoorde leverfunctie en dat de chronische ontsteking aan de alvleesklier (pancreatitis) geen verband houdt met de leverfunctie. Verder is niet gebleken dat bij appellant in de periode voor 2011 met pancreatitis samenhangende buikklachten een rol speelden bij de beoordeling van de mate van zijn arbeidsongeschiktheid in 2003. Van belang hierbij is het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 23 oktober 2014, waarin hij in reactie op de namens appellant ingezonden medische informatie heeft vermeld dat (daarmee) heel duidelijk wordt bevestigd dat met de pancreatitis sprake is van een nieuw ziektebeeld. Dat appellant in het verleden maag- en darmklachten heeft gehad, kan hieraan niet afdoen, nu niet is gebleken dat deze klachten ten tijde van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling in 2003 nog enige rol hebben gespeeld.

4.5.4.

Gezien de oorzaak waaruit de arbeidsongeschiktheid is voortgekomen ter zake waarvan appellant sinds 5 oktober 2003 uitkering genoot, moet worden gezegd dat de toename van zijn arbeidsongeschiktheid nu die is veroorzaakt door buikklachten, kennelijk voortkomt uit een andere oorzaak. De Raad verliest hierbij niet uit het oog dat volgens zijn vaste jurisprudentie de formulering van artikel 37 van de WAO, gelet op de daarop door de wetgever gegeven toelichting, ertoe strekt in geval van twijfel over het oorzakelijk verband tussen de oorspronkelijke arbeidsongeschiktheid en de later toegenomen arbeidsongeschiktheid, de balans ten voordele van de betrokkene te doen doorslaan. In het onderhavige geval is evenwel geen aanleiding tot zodanige twijfel. Hoewel in de aangevallen uitspraak geen overweging is gewijd aan genoemde formulering, valt niet in te zien dat de rechtbank appellant hiermee tekort heeft gedaan. Uit de overwegingen in de aangevallen uitspraak komt immers naar voren dat ook bij de rechtbank geen twijfel heeft bestaan over het ontbreken van een oorzakelijk verband tussen appellants oorspronkelijke arbeidsongeschiktheid en zijn later toegenomen arbeidsongeschiktheid. Ook de verwijzing van de rechtbank naar de in de FML uit 2003 opgenomen beperkingen is niet onjuist te achten, nu ook de verzekeringsarts in zijn rapport van 19 december 2011 heeft verwezen naar de weging van appellants belastbaarheid uit 2003.

4.5.5.

De vervolgens voorliggende vraag of sprake is van toename van psychische klachten van appellant, beantwoordt de Raad ontkennend. Hiervoor zijn in de voorhanden zijnde medische gegevens onvoldoende aanknopingspunten te vinden.

4.6.

Volgens vaste rechtspraak inzake de toepassing van artikel 37 van de WAO

(uitspraak van 20 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2898) moet in gevallen als deze, waarin aan de gevraagde ophoging van de WAO-uitkering in de weg staat dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid kennelijk voortkomt uit een andere oorzaak als bedoeld in het tweede lid van artikel 37 van de WAO, nog wel worden bezien of, uitgaande van dezelfde oorzaak - dus van de oorspronkelijke medische beperkingen - sprake is van toename van arbeidsongeschiktheid op arbeidskundige gronden. Die arbeidskundige beoordeling is achterwege gelaten in de bestreden besluitvorming.

4.7.

Door middel van een rapport van 28 november 2014 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is dit gebrek hersteld. Verder is een toelichting gegeven op de belastende factoren in de geduide functies in het licht van de voor appellant vastgestelde belastbaarheid. Deze toelichting komt de Raad afdoende voor.

5. De rechtbank heeft het gebrek in het bestreden besluit niet onderkend. De aangevallen uitspraak moet om die reden worden vernietigd. Het beroep tegen het bestreden besluit wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb zullen de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand worden gelaten.

6. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van

appellant. Deze kosten worden begroot op € 980,- in beroep en € 1.470,- in hoger beroep, in totaal € 2.450,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 18 juni 2012 gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 18 juni 2012;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 160,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.450,-.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en P. Vrolijk en H. van Leeuwen als leden, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2015.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) D. van Wijk

JvC