Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3342

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-10-2015
Datum publicatie
06-10-2015
Zaaknummer
13/2644 AOR
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum van het weer betaalbaar stellen van de AOR-uitkering. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/2644 AOR

Datum uitspraak: 1 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)

de Staat der Nederlanden, Ministerie van Veiligheid en Justitie (Staat)

PROCESVERLOOP

In verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet van 17 december 2014 tot wijziging van de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen

(Stb. 2014, 583), is in deze zaak de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank in de plaats getreden van de Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling Indonesië (CAOR). Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de - voormalige - CAOR verstaan.

Namens appellante heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 16 april 2013, kenmerk 0001600/CAOR (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Algemene Oorlogsongevallenregeling Indonesië (AOR).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2015. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Berkel. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.L. van de Wiel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Aan appellante is met ingang van 1 februari 2009 een periodieke uitkering krachtens de AOR toegekend. Op 16 mei 2011 heeft verweerder haar laten weten dat deze uitkering, gezien de toekenning aan haar van een uitkering krachtens de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv), per 1 mei 2010 niet betaalbaar wordt gesteld. Op 27 mei 2011 heeft appellante verweerder laten weten dat er nog bezwaarschriften aanhangig zijn in het kader van de Wuv en in het kader van de Wet uitkeringen

burger-oorlogsslachtoffers 1940-1045 (Wubo), en dat er daarom niet bij voorbaat van kan worden uitgegaan dat de AOR-uitkering vanaf 1 mei 2010 niet tot uitbetaling zal komen. Desgevraagd heeft appellante op 30 mei 2011 telefonisch bevestigd dat, zolang de bedoelde bezwaarschriften nog in behandeling zijn, de uitbetaling van de AOR-uitkering niet behoeft te worden hervat.

1.2.

Op 26 oktober 2011 heeft appellante verzocht haar aanspraken krachtens de Wuv om te zetten in aanspraken krachtens de Wubo op, onder meer, een zogeheten artikel 19-toeslag. Bij besluiten van 13 februari 2012 heeft deze omzetting, per 1 oktober 2011, plaatsgevonden.

1.3.

Bij besluit van 5 maart 2012 heeft verweerder laten weten dat de uitbetaling van de

AOR-uitkering per 1 oktober 2011 kan worden hervat. De AOR-uitkering bedraagt netto

€ 1.897,15. Ingevolge de bepalingen van de Zorgverzekeringswet wordt premie ingehouden op de AOR-uitkering. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.4.

Bij beslissingen op bezwaar van 16 april 2012 is de ingangsdatum van de omzetting van de Wuv-aanspraken naar aanspraken krachtens de Wubo vervroegd van 1 oktober 2011 naar

1 mei 2010. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het besluit van 5 maart 2012 gegrond verklaard voor zover het de ingangsdatum van het weer betaalbaar stellen van de AOR-uitkering betreft. Deze ingangsdatum is nader bepaald op

1 mei 2010. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Appellante is van mening dat verweerder, net zoals dat geschiedt bij de toepassing van de Wuv en de Wubo, compensatie had moeten bieden voor de inkomensafhankelijke bijdrage krachtens de Zorgverzekeringswet. Verder meent zij dat verweerder haar een kostenvergoeding ter zake van haar bezwaar had moeten toekennen.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

De AOR, met inbegrip van het besluit van de Luitenant-Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië van 5 november 1946 (Indisch Staatsblad 1946, 118), is een

Nederlands-Indische regeling waarvan Nederland destijds slechts de uitvoering ten behoeve van Nederlandse gerechtigden heeft overgenomen. Het is steeds nadrukkelijk de bedoeling geweest dat de AOR onveranderd zou blijven (zie ook de uitspraak van 27 oktober 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU5529). Anders dan de Wuv, in artikel 17a, en de Wubo, in

artikel 23a, voorziet de AOR dan ook niet in aanspraken op een toeslag ter compensatie van de inkomensafhankelijke bijdrage krachtens de Zorgverzekeringswet. Niet valt in te zien dat verweerder, ondanks het ontbreken van een wettelijke grondslag daarvoor, toch gehouden zou zijn de bedoelde compensatie aan appellante toe te kennen. Het betoog van appellante dat deze toekenning, gezien het bepaalde in de Wuv en de Wubo, op beleidsmatige gronden had moeten plaatsvinden, treft geen doel. Voor zover het onderwerp zich al leent voor beleidsmatige invulling, kan niet worden gezegd dat het beleid dat verweerder voert ter uitvoering van de AOR en waarin evenmin als in de AOR zelf een compensatie als hier genoemd aan de orde is, op het bedoelde punt de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten gaat.

3.2.

Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Appellante meent dat het vervroegen van de betaalbaarstelling van haar AOR-uitkering van 1 oktober 2011 naar 1 mei 2010 een herroeping inhoudt als bedoeld in de genoemde bepaling. Ook daarin kan zij niet worden gevolgd. Van een daadwerkelijke gehoudenheid tot de bedoelde vervroeging was pas sprake ingevolge de beslissingen op bezwaar van 16 april 2012 krachtens de Wuv en de Wubo. Het besluit van 5 maart 2012 was ten tijde van het nemen ervan dus niet onrechtmatig. Dat appellante in mei 2011 de verwachting tot het weer tot uitbetaling kunnen komen van haar AOR-uitkering heeft uitgesproken, kan dat niet anders maken. Overigens heeft appellante korte tijd nadien telefonisch laten weten dat zo lang de Wuv- en Wubo-bezwaarschriften nog in behandeling waren, de uitbetaling van de AOR-uitkering niet behoefde te worden hervat.

3.3.

Het beroep is ongegrond.

4. Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

4.1.

In dit geval is sprake van een procedure in twee instanties, te weten bezwaar gevolgd door beroep in eerste en enige aanleg. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van

9 april 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BI2179), is de redelijke termijn voor een procedure in twee instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee en een half jaar in beslag heeft genomen. Heeft de totale procedure langer dan twee en een half jaar geduurd, dan moet per instantie worden bezien of sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd. Daarbij geldt dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar mag duren. In het algemeen acht de Raad een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden

(uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009).

4.2.

Sinds de ontvangst van het bezwaar op 3 april 2012 tot aan deze uitspraak zijn drie jaar en bijna zes maanden verstreken. Er is geen aanleiding om in dit geval af te wijken van de onder 4.1 genoemde uitgangspunten. De redelijke termijn is dus met meer dan een jaar overschreden. Vanaf de ontvangst door verweerder van het bezwaarschrift op 3 april 2012 tot aan de datum van het bestreden besluit is iets meer dan een jaar verstreken. De Raad zal verweerder veroordelen tot een schadevergoeding van € 1000,-. Vanaf de ontvangst van het beroep tot aan de datum van deze uitspraak zijn meer dan twee jaar, maar minder dan twee en een half jaar verstreken. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 500,- ten laste van de Staat.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding aan appellante van schade tot een bedrag van

€ 1.000,-;

- veroordeelt de Staat tot vergoeding aan appellante van schade tot een bedrag van € 500,-.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van

M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2015.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) M.S. Boomhouwer

HD