Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3339

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-10-2015
Datum publicatie
06-10-2015
Zaaknummer
14/6330 AW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) De enkele mededeling aan appellante dat er vanwege het ontbreken van vacatures geen mogelijkheden zijn de werkzaamheden van appellante bij een andere topfunctionaris van het ministerie van Defensie te laten vervolgen, is onvoldoende om deze aanspraak van appellante terzijde te kunnen schuiven. Geen draagkrachtige motivering. Besluit onbevoegd genomen. 2) Appellante is terecht als herplaatsingskandidaat aangewezen, aangezien de functie van appellante als [naam functie] is opgeheven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6330 AW, 14/6331 AW

Datum uitspraak: 1 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 oktober 2014, 14/4761 en 14/5068 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Defensie (minister)

de directeur Defensie Materieel Organisatie (directeur DMO)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De minister en de directeur hebben een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2015. Appellante is verschenen, vergezeld door drs. M.M. Klinge. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. A.J. Verdonk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was sinds 1 december 2002 als burgerambtenaar werkzaam in de functie van [naam functie A] bij de toenmalige [naam afdeling] van het Ministerie van Defensie. Met ingang van 1 september 2004 was zij werkzaam als [naam functie B] voor luitenant-generaal [S], destijds plaatsvervangend Commandant der Strijdkrachten. Met ingang van 1 december 2006 is aan [S] de functie van [naam functie C] van het tijdelijke programma SPEER toegewezen.

1.2.

Bij besluit van 8 december 2006 is appellante meegedeeld dat zij haar werkzaamheden als [naam functie B] met ingang van 1 december 2006 zal voortzetten als [naam functie A] van de [naam functie C] SPEER en dat deze aanwijzing in beginsel tot 1 april 2008 geschiedt. Vervolgens is in de brief het volgende vermeld: “Na ommekomst van deze functievervulling blijft uw aanwijzing als [naam functie B] in stand en zal worden bezien bij welke topfunctionaris u uw werkzaamheden kunt vervolgen.”
Bij besluit van 10 april 2007 is aan appellante bevestigd dat zij vanaf 1 december 2006 tot

1 april 2008 de functie van [naam functie B] van de [naam functie C] SPEER gaat vervullen.
Na 1 april 2008 heeft appellante haar werkzaamheden als [naam functie A] [naam functie C] SPEER voortgezet. Laatstelijk is appellante in het kader van een reorganisatie bij besluit van 10 juni 2009 met ingang van 1 juni 2009 opnieuw geplaatst in de functie van [naam functie A] [naam functie C] SPEER. Het programma SPEER viel met ingang van 1 januari 2012 onder de Defensie Materieel Organisatie.

1.3.

Met ingang van 1 januari 2014 is het programma SPEER opgeheven en zijn alle functies binnen dat programma komen te vervallen.

1.4.

Bij brief van 16 september 2013 heeft appellante onder verwijzing naar de brief van 8 december 2006 verzocht aan te geven bij welke topfunctionaris zij haar werkzaamheden als [naam functie B] kan vervolgen.

1.5.

Bij besluit van 4 december 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 mei 2014 (bestreden besluit 1), heeft de Hoofddirecteur Personeel het verzoek afgewezen. Aan bestreden besluit 1 ligt ten grondslag dat er geen mogelijkheden zijn de werkzaamheden van appellante bij een andere topfunctionaris van het Ministerie van Defensie te laten vervolgen en dat aan de toezegging in het besluit van 8 december 2006 reeds met ingang van 1 april 2008 is voldaan.
1.6. Bij besluit van 19 november 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 mei 2014 (bestreden besluit 2), heeft de minister appellante aangewezen als herplaatsingskandidaat per 1 januari 2014. Aan het bestreden besluit 2 ligt ten grondslag dat appellante terecht als herplaatsingskandidaat is aangewezen, omdat haar functie als [naam functie A] [naam functie C] SPEER is opgeheven.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat een redelijke uitleg van de toezegging in de brief van 8 december 2006 meebrengt dat appellante na 1 april 2008 de garantie had op voortzetting van haar werkzaamheden als [naam functie B]. Redengevend hiervoor acht de rechtbank dat in twee brieven aan appellante staat dat de aanwijzing als [naam functie B] geschiedt tot (in beginsel) 1 april 2008 en dat in een brief aan [S] staat dat de aanwijzing van appellante in beginsel geschiedt voor de periode waarvoor hij de functie van [naam functie C] SPEER vervult. De minister is de toezegging nagekomen door de aanwijzing van appellante als [naam functie B] na 1 april 2008, de datum waarop [S] met functioneel leeftijdsontslag is gegaan, voort te zetten. Volgens de rechtbank biedt de toezegging geen eeuwigdurende garantie dat appellante haar functie als [naam functie B] zal kunnen blijven vervullen. Mede gelet op de opheffing van het programma SPEER en alle daarbij behorende functies per 1 januari 2014, strekt de toezegging zich niet uit tot de periode na die datum. De rechtbank overweegt verder dat de aanwijzing van appellante als herplaatsingskandidaat kan standhouden, nu de functie van appellante als [naam functie B] [naam functie C] SPEER per 1 januari 2014 is opgeheven.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Bestreden besluit 1

4.1.

De Raad stelt voorop dat het bestreden besluit 1 onbevoegd is genomen, nu het is genomen door de Hoofddirecteur Personeel in plaats van de directeur DMO. De directeur DMO heeft het bestreden besluit 1 echter bij brief van 20 juli 2015 bekrachtigd.

4.2.

Appellante heeft betoogd dat in het bestreden besluit 1 en in de aangevallen uitspraak een onjuiste uitleg is gegeven aan de toezegging in de brief van 8 december 2006. De plaatsing in het kader van het tijdelijke programma SPEER heeft volgens appellante plaatsgevonden onder de voorwaarde dat zij na beëindiging van dat programma elders in de organisatie als [naam functie B] zou worden geplaatst. Door de toezegging in de brief van 8 december 2006 zo uit te leggen dat die toezegging na afloop van het programma SPEER niet meer geldt, is volgens haar geen recht gedaan aan de voorwaarde waaronder zij heeft ingestemd met de plaatsing als [naam functie B] in het kader van het programma SPEER.

4.3.

Dit betoog slaagt. [naam D] voormalig lid onderscheidenlijk voorzitter van de Medezeggenschapscommissie SPEER, heeft in haar brief van 21 juli 2015 en ter zitting van de Raad verklaard dat bij de start van het programma SPEER bekend was dat de in het kader van dit programma te vervullen functies na beëindiging van het programma weer zouden worden opgeheven. Om deelname van medewerkers aan het programma SPEER aantrekkelijk te maken en om risico’s voor hen te beperken, zijn ten aanzien van de betrokken medewerkers, in verschillende bewoordingen, baangaranties afgegeven, die door de dienstleiding in andere gevallen ook altijd zijn nagekomen, aldus [naam D]. De Raad heeft geen aanleiding aan de juistheid van deze verklaring te twijfelen. De verklaring is niet weersproken en komt overeen met wat appellante heeft betoogd. In dit licht bezien kan niet in redelijkheid worden volgehouden dat de brief van 8 december 2006 zo moet worden gelezen dat appellante, met de continuering vanaf 1 april 2008 van haar werkzaamheden als [naam functie A] [naam functie C] SPEER, na opheffing van het programma SPEER geen aanspraak meer kon maken op plaatsing in een functie als [naam functie B] bij één van de onderdelen van het Ministerie van Defensie. De enkele mededeling aan appellante dat er vanwege het ontbreken van vacatures geen mogelijkheden zijn de werkzaamheden van appellante bij een andere topfunctionaris van het ministerie van Defensie te laten vervolgen, is onvoldoende om deze aanspraak van appellante terzijde te kunnen schuiven. Dat geldt ook voor het in het besluit van 4 december 2013 gebruikte argument dat geen behoefte bestaat aan personenchauffeurs.

4.4.

Uit 4.3 volgt dat het bestreden besluit 1 niet op een draagkrachtige motivering berust.


Bestreden besluit 2

4.5.

Vast staat dat de functie van appellante als [naam functie A] [naam functie C] SPEER per 1 januari 2014 is opgeheven. Dit betekent dat appellante terecht als herplaatsingskandidaat is aangewezen. De verwijzing van appellante naar de, onder 4.2 en 4.3 bedoelde, baangarantie kan daaraan op zichzelf niet afdoen. Wel volgt uit 4.3 dat de gegeven baangarantie voor een functie als [naam functie B] leidend dient te zijn bij het zoeken naar een andere functie.

Slotsom

4.6.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover die betrekking heeft op het beroep tegen het bestreden besluit 1. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit 1 gegrond verklaren en dit besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen. De directeur DMO zal worden opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de te nemen nieuwe beslissing op het bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld. De aangevallen uitspraak komt voor het overige voor bevestiging in aanmerking.

5. Aanleiding bestaat om de minister en de directeur DMO ieder voor de helft te veroordelen in de proceskosten. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het gaat om twee samenhangende zaken. De proceskosten worden begroot op € 980,- voor in beroep verleende rechtsbijstand. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten in hoger beroep is niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover die betrekking heeft op het beroep tegen het

besluit van 1 mei 2014;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 1 mei 2014 gegrond en vernietigt dit besluit;
- draagt de directeur DMO op een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen en bepaalt dat

tegen deze beslissing alleen bij de Raad beroep kan worden ingesteld;
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
- veroordeelt de minister en de directeur DMO in de kosten van appellante, ieder tot een

bedrag van € 490,-;
- bepaalt dat de minister en de directeur DMO aan appellante het in beroep en hoger beroep

betaalde griffierecht vergoeden, ieder tot een bedrag van € 205,50.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en W.J.A.M. van Brussel en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2015.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) S.W. Munneke

HD