Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3337

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-10-2015
Datum publicatie
06-10-2015
Zaaknummer
14/3681 AW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om functieonderhoud ten onrechte afgewezen. Appellant heeft aannemelijk gemaakt dat hij in de referteperiode aan het afnemen van verhoren door collega’s bijdragen heeft geleverd die wezenlijk afwijken van de functiebeschrijving. Aan de beschrijving van de door appellant uitgeoefende functie wordt toegevoegd: het introduceren van nieuwe instrumenten, methoden en technieken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/3681 AW

Datum uitspraak: 1 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

20 mei 2014, 13/451 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Ingevolge artikel 5 van de Wet van 12 juli 2012 tot invoering van de Politiewet 2012 en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012, Stb. 2012, 316) is in dit geschil de korpschef in de plaats getreden van de korpsbeheerder van de politieregio [naam korps] (korpsbeheerder), ten name van wie het geding aanvankelijk is gevoerd. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de korpschef, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de korpsbeheerder verstaan.

Namens appellant heeft mr. T.A. van Helvoort hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Helvoort. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. H.J. de Wit.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was vanaf 1 juni 1998 aangesteld als [naam functie A] bij het politiekorps [naam korps]. Hij heeft in 2004 een tweejarige opleiding tot professioneel verhoorder afgerond. Een belangrijk deel van zijn werkzaamheden bestond uit het afnemen van verhoren en werkzaamheden die daarmee verband houden.

1.2.

Nadat de korpschef appellant kenbaar had gemaakt dat hij in het kader van de invoering van het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) het voornemen had de door appellant op 31 maart 2011 uitgeoefende functie van [naam functie A] (schaal 8) aan te merken als uitgangspositie van betrokkene voor de omzetting naar het LFNP, heeft appellant verzocht om functieonderhoud op grond van de Tijdelijke regeling functieonderhoud politie (Trfp, Stcrt. 2012, nr. 3097).

1.3.

De korpschef heeft dit verzoek bij besluit van 9 januari 2012 afgewezen. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 12 januari 2012 heeft de korpschef de uitgangspositie van appellant vastgesteld overeenkomstig het voornemen. Bij besluit van 23 februari 2012 is aan de uitgangspositie het taakaccent ‘professioneel verhoorder’ toegevoegd.

1.4.

Bij besluit van 19 april 2013 (het bestreden besluit) heeft de korpschef het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om functieonderhoud ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat de werkzaamheden van appellant als professioneel verhoorder in de functiebeschrijving zijn terug te vinden binnen de kennisgebieden Onderzoek, Kennisoverdracht en Informatieverwerking.

2. Bij tussenuitspraak heeft de rechtbank de korpschef in de gelegenheid gesteld een gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Nadat de korpschef zijn standpunt naar voren had gebracht en appellant daarop had gereageerd, heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak, met beslissingen over griffierecht en proceskosten, het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen daarvan in stand gelaten.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat hij zich in de referteperiode van 31 december 2009 tot en met 31 maart 2011 (referteperiode) bezig heeft gehouden met het ontwikkelen van nieuwe methoden en technieken voor de uitvoering en het geven van advies als expert op het gebied van verhoren. Appellant heeft daarbij verwezen naar de functie van Vakspecialist A opsporing (schaal 9) waarin dergelijke werkzaamheden afzonderlijk worden beschreven.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft aannemelijk gemaakt dat hij in de referteperiode aan het afnemen van verhoren door collega’s bijdragen heeft geleverd die wezenlijk afwijken van de functiebeschrijving [naam functie A] (functiebeschrijving). Appellant heeft onder meer methoden beschreven voor het verhoren van zwijgende verdachten en verdachten met een gedragsafwijking en een protocol voor het houden van een buurtonderzoek opgesteld. Diverse van de door appellant ontwikkelde methoden worden gebruikt binnen de gehele politieregio en soms ook daarbuiten. Deze werkzaamheden wijken, anders dan de korpschef meent, wezenlijk af van wat in de functiebeschrijving onder de bijdragegebieden Kennisoverdracht en Informatieverwerking is opgenomen. In deze bijdragegebieden gaat het vooral om werkzaamheden die gericht zijn op een individueel (complex) onderzoek, terwijl de door appellant vanuit zijn expertise ontwikkelde methoden veeleer een bijdrage leveren aan het effectiever maken van het opsporingsonderzoek in het algemeen. Voor een meer passende beschrijving van deze werkzaamheden kan aansluiting worden gezocht bij de functiebeschrijving van de Vakspecialist A opsporing onder het bijdragegebied Onderhoud en ontwikkeling: het introduceren van nieuwe instrumenten, methoden en technieken. Vast is komen te staan dat appellant deze werkzaamheden gedurende de referteperiode heeft verricht en dat zij hem door zijn toenmalige leidinggevende zijn opgedragen.

4.2.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn adviserende werkzaamheden in het kader van het verhoren van verdachten wezenlijk afwijken van zijn functie. Van zaaksoverstijgende advisering is geen sprake geweest. De voorbeelden die appellant heeft gegeven, betreffen namelijk adviezen in individuele zaken. De advisering over de aanpak van verhoren in belangrijke zaken en de advisering over het al dan niet inschakelen van gedragsdeskundigen bij het afnemen van verhoren zijn werkzaamheden die niet wezenlijk afwijken van wat in de functiebeschrijving is opgenomen onder de bijdragegebieden Onderzoek, ‘het opzetten van verhoorplannen’ en Kennisoverdracht, ‘het opbouwen en uitdragen van specifieke vakkennis’.

4.3.

Uit wat onder 4.1 is overwogen, volgt dat de korpschef in strijd met artikel 3 van de Trfp het verzoek om functieonderhoud heeft afgewezen. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten. De Raad zal zelf in de zaak voorzien door het besluit van
9 januari 2012 te herroepen en te bepalen dat het functieonderhoud wordt toegewezen in die zin dat aan de beschrijving van de door appellant uitgeoefende functie wordt toegevoegd: het introduceren van nieuwe instrumenten, methoden en technieken.

4.4.

Dat de werkzaamheden waarvoor het functieonderhoud wordt toegewezen, vanaf medio 2011 niet meer door appellant worden verricht, staat gelet op artikel 5, derde lid, van de Trfp niet in de weg aan het toekennen van functieonderhoud.

5. Aanleiding bestaat om de korpschef te veroordelen in de kosten van appellant in bezwaar en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.960,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het besluit van

19 april 2013 in stand zijn gelaten;

- herroept het besluit van 9 januari 2012;

- wijst het verzoek om functieonderhoud toe in die zin dat aan de beschrijving van de door

appellant uitgeoefende functie wordt toegevoegd: het introduceren van nieuwe instrumenten,

methoden en technieken;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 19 april 2013;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- bepaalt dat de korpschef aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 246,-

vergoedt;

- veroordeelt de korpschef in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.960,-.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en W.J.A.M. van Brussel en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2015.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) S.W. Munneke

HD