Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3318

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-09-2015
Datum publicatie
01-10-2015
Zaaknummer
13/6887 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Niet meer ongeschikt voor zijn arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 6887 ZW

Datum uitspraak: 30 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
18 december 2013, 13/6246 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] wonende te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.P. de Witte, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2015. Namens appellant is verschenen mr. M.P. de Witte. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
J.C. van Beek.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam als kraanmachinist voor 20 uur per week als uitzendkracht. Op 15 januari 2013 heeft appellant zich wegens diabetes- en rugklachten ziek gemeld voor zijn werkzaamheden als kraanmachinist. Het Uwv heeft appellant een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.2.

Bij besluit van 21 juni 2013 heeft het Uwv appellant per 28 juni 2013 hersteld verklaard en de ZW-uitkering beëindigd. In dit besluit heeft het Uwv bepaald dat appellant met ingang van 28 juni 2013 geen recht meer heeft op een ZW-uitkering, omdat hij met ingang van die datum weer geschikt wordt geacht tot het verrichten van de laatst verrichte arbeid als kraanmachinist voor 20 uur per week. Bij besluit van 25 juli 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 juni 2013 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daaraan ten grondslag gelegd een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 22 juli 2013.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig dossier- en medisch onderzoek hebben verricht en zich op de hoogte hebben gesteld van de medische informatie van de behandelend sector. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de beoordeling door de verzekeringsartsen. De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn stelling dat hij de werkzaamheden van kraanmachinist niet kan verrichten in verband met de trillingen van de kraanmachine. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat de door appellant genoemde trillingen geen indicatie geven voor arbeidsongeschiktheid, omdat appellant in het verleden dit werk met rugklachten heeft gedaan en uit het onderzoek van de buik geen ernstige problematiek is gebleken. Volgens de rechtbank is er geen reden om aan te nemen dat de verzekeringsartsen een onjuist beeld hebben gehad bij de werkzaamheden van appellant. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat appellant met ingang van 28 juni 2013 in staat moet worden geacht de werkzaamheden als kraanmachinist te verrichten en heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant betoogd dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak de beoordeling door het Uwv ten onrechte heeft gevolgd. De verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben volgens appellant de aard en omvang van zijn werkzaamheden verkeerd ingeschat. Door de trillingen van de graafmachine verergeren zijn klachten waardoor appellant zijn werkzaamheden niet meer kan uitvoeren. Appellant stelt dan ook ten onrechte arbeidsgeschikt te zijn verklaard voor zijn eigen werk.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Nu appellant laatstelijk werkzaam is geweest als kraanmachinist, is deze functie terecht als zijn arbeid aangemerkt.

4.2.

Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Het door het Uwv verrichte medisch onderzoek is zorgvuldig geweest. Appellant is zowel door een verzekeringsarts als door een verzekeringsarts bezwaar en beroep medisch onderzocht en de bevindingen van de huisarts en de behandelend internist zijn bij die beoordeling betrokken. In verband met de aanwezige trillingsbelasting in het eigen werk van appellant heeft de verzekeringsarts aanvullend lichamelijk onderzoek verricht. De onderzoeken van de verzekeringsartsen en de medische stukken zijn dan ook voldoende grondslag voor de onderbouwing van het standpunt dat appellant per 28 juni 2013 geschikt te achten is voor zijn eigen werk.

4.3.

Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt onvoldoende reden om aan de juistheid van de conclusie van het Uwv te twijfelen. Nu appellant in hoger beroep geen medische gegevens heeft overgelegd waaruit blijkt dat zijn rugklachten op de datum in geding zijn verergerd zijn er geen aanknopingspunten om appellant meer beperkt te achten dan door het Uwv is aangenomen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat uit de door appellant zelf ingevulde ‘Vragenlijst ziekte en re-integratie’ volgt dat appellant klachten als gevolg van suikerziekte als voornaamste reden voor zijn ziekmelding heeft opgegeven en daarbij geen melding heeft gemaakt van pijnklachten als gevolg van de trillingen. De verzekeringsarts heeft weliswaar de trillingsbelasting onderkend, maar voor zowel de buik- als de rugklachten van appellant, geen indicatie gezien voor arbeidsongeschiktheid. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant bovendien bevestigd dat de rugklachten van appellant niet medisch objectiveerbaar zijn. Daarom wordt geen aanleiding gezien de conclusies van het Uwv ten aanzien van de arbeidsgeschiktheid van appellant per 28 juni 2013 voor onjuist te houden.

4.4.

Uit de overwegingen onder 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2015.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) I. Mehagnoul

NW