Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3275

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-09-2015
Datum publicatie
30-09-2015
Zaaknummer
12/1646 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitgangspunt bestuursrechter t.a.v. ingeschakelde deskundige. Het medisch oordeel van de deskundigen in hoger beroep is volledig in lijn met de bevindingen van de door de rechtbank benoemde deskundige revalidatiearts, waarmee door drie onafhankelijk deskundigen de juistheid van de beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is bevestigd op dit punt. Door de verzekeringsarts b&b is afdoende onderbouwd dat voor een medische urenbeperking geen grond is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/1646 WIA

Datum uitspraak: 18 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van

15 februari 2012, 10/2762 WIA (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J.H. Roebroek, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, mr. Roebroek. Het Uwv is niet verschenen.

Na de behandeling van de zaak is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest en is het onderzoek heropend. De Raad heeft als onafhankelijk deskundigen benoemd

A.H.M van der Heijden, longarts en T.M. Bruggink, allergoloog. De deskundigen hebben op een gezamenlijk rapport uitgebracht, gedateerd 10 juni 2015.

Het Uwv heeft hierop zijn wijze op het deskundigenrapport ingezonden. Appellante heeft van de geboden gelegenheid geen gebruik gemaakt.

De meervoudige kamer heeft de zaak vervolgens verwezen naar de enkelvoudige kamer voor verdere behandeling.

Beide partijen hebben de Raad toestemming verleend om zonder nadere zitting uitspraak te doen, waarop de Raad het onderzoek heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft chronische pijn- en vermoeidheidsklachten en klachten vanwege astma. In 2004 is zij vanwege deze klachten uitgevallen voor haar werk. Met ingang van 31 januari 2006 (einde wachttijd voor de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)) werd zij op basis van deze klachten minder dan 35% arbeidsongeschikt geacht en kwam zij niet in aanmerking voor een uitkering op grond van de Wet WIA. Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt.

1.2.

Op 1 februari 2008 is appellante met toegenomen vermoeidheidsklachten uitgevallen voor haar werk als klassenassistent gedurende 16 uur per week. Zij heeft haar werkzaamheden gedeeltelijk hervat maar is vervolgens op 1 oktober 2008 geheel uitgevallen. In september 2009 heeft zij een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet WIA ingediend vanwege toegenomen klachten sinds 1 februari 2008.

1.3.

Bij besluit van 13 januari 2010 (besluit 1) heeft het Uwv appellante meegedeeld dat voor haar met ingang van 1 februari 2008 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet WIA omdat zij met ingang van 1 februari 2008 minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Bij besluit van 8 januari 2010 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat voor haar met ingang van 1 oktober 2008 recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%. Bij besluit van 11 januari 2010 (besluit 2) heeft het Uwv vervolgens de WGA-uitkering van appellante beëindigd met ingang van 9 maart 2010 vanwege een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.

1.4.

Bij beslissing op bezwaar van 11 juni 2011 heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

1.5.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante ingestelde beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, waarbij zij aanleiding heeft gezien om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Hiertoe heeft zij overwogen dat er geen aanleiding voor twijfel is aan de in beroep aangepaste medische beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 28 april 2011, gelet op het rapport van 9 augustus 2011 van de door de door rechtbank ingeschakelde deskundige revalidatiearts

G.H.F. van der Leeuw. Van der Leeuw had in zijn rapport aangegeven dat bij appellante sprake is van een chronisch vermoeidheidssyndroom met secundair fibromyalgische aspecten. Hij is van mening dat geen sprake is van een noodzaak tot een urenbeperking en dat in de vaststelling van de belastbaarheid op ruime wijze is tegemoetgekomen aan de long- en allergologische problematiek van appellante. Hij heeft dan ook ingestemd met de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellante per 1 februari 2008 en per 9 maart 2010. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de door haar ingeschakelde deskundige niet te volgen in zijn oordeel. Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat de medische geschiktheid voor appellante van de voorgehouden functies zowel wat betreft de datum van 1 februari 2008 als de datum van 9 maart 2010 afdoende is toegelicht door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

2. Het hoger beroep van appellante is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand dienen te blijven. Appellante heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de door haar ingeschakelde deskundige Van der Leeuw heeft gevolgd in zijn medisch oordeel. Zij is van mening dat ten onrechte geen medische urenbeperking is aangenomen gelet op haar vermoeidheidsklachten die volgens haar samenhangen met haar allergologische en urologische problemen. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft zij rapporten ingediend van haar medisch adviseur H.M.Th. Offermans, verzekeringsarts. Deze heeft in zijn laatste rapport verzocht om inschakeling van een onafhankelijk deskundige longarts of allergoloog, gelet op het verschil van inzicht over het verband tussen de chronische vermoeidheidsklachten van appellante en haar astma met forse bronchiale hyperreactiviteit.

3.1.

De Raad komt tot het volgende oordeel.

3.2.

De door de Raad benoemde deskundige longarts en allergoloog hebben bij rapport van

10 juni 2015 de Raad geïnformeerd over hun onderzoeksbevindingen en advies uitgebracht ten aanzien van de medische situatie van appellante op de data in geding van 1 februari 2008 en 9 maart 2010. De deskundige longarts is tot de conclusie gekomen dat bij appellante sprake is en destijds ook was van allergisch astma bronchiale, met een licht verlaagde histaminedrempel (tijdens adequate behandeling met onder andere inhalatiesteroïden) en een volledig reversibele bronchusobstructie. Dit wil zeggen, volgens de deskundige, dat sprake is van bij herhaling gevonden normale longfunctiegegevens. Daarnaast kan worden gesproken van een adequaat behandeld en goed ingesteld astma bronchiale. De deskundige kan zich verenigen met de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgestelde belastbaarheid ten aanzien van beide data in geding en ziet evenmin als de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanleiding voor een urenbeperking. De deskundige allergoloog heeft vastgesteld dat sprake is van allergische rhinoconjunctivitis met aangetoonde milde huisstofmijtallergie en aanleg voor eczeem, waarbij huisstofmijtallergie en mogelijk ook contactallergische factoren zoals cocamidopropylbetaïne en benzocaïne een rol spelen. Met deze aandoeningen is naar haar medisch oordeel afdoende rekening gehouden door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Ten aanzien van de allergische rhinitis acht zij een urenbeperking niet geïndiceerd.

3.3.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Dat het rapport afwijkt van de opvatting van een andere, door een der partijen geraadpleegde, deskundige is op zichzelf niet voldoende om tot een ander oordeel te komen. Ook overigens geven de bezwaren van appellante tegen het rapport daartoe geen aanleiding. Het medisch oordeel van de deskundigen in hoger beroep is overigens volledig in lijn met de bevindingen van de door de rechtbank benoemde deskundige revalidatiearts, waarmee door drie onafhankelijk deskundigen de juistheid van de beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is bevestigd op dit punt.

3.4.

Ten aanzien van de urologische problemen van appellante op de datum in geding van

9 maart 2010 is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep afdoende onderbouwd dat voor een medische urenbeperking geen grond is.

3.5.

Gelet op de overwegingen 3.2 tot en met 3.4 slaagt het hoger beroep niet.

3.6.

Van door appellante geleden schade ten gevolge van onrechtmatige besluitvorming van het Uwv is niet gebleken.

3.7.

Voor een proceskostenveroordeling is evenmin aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- wijst het verzoek van appellante tot veroordeling van het Uwv tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 september 2015.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) P. Boer

UM