Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3258

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-08-2015
Datum publicatie
30-09-2015
Zaaknummer
14-470 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning WGA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De medische situatie van appellante valt niet te brengen onder één van de situaties waarop artikel 4 van de Wet WIA ziet. Wijziging arbeidsongeschiktheidspercentage in de bezwaarfase. Wijziging in de resterende verdiencapaciteit. Wijziging van de rechtspositie. Herroepen besluit als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb. Het Uwv heeft ten onrechte het bezwaar van appellante tegen het besluit van 25 januari 2013 ongegrond verklaard en ten onrechte geweigerd de kosten in bezwaar te vergoeden. De rechtbank heeft ten onrechte het beroep ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/470 WIA

Datum uitspraak: 31 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

12 december 2013, 13/2852 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2015. Namens appellante is verschenen mr. P. Goettsch, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

A. Anandbahadoer.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 25 januari 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 6 december 2012 op grond van artikel 54 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) recht is ontstaan op een uitkering in verband met Werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35,89%. Het bezwaar van appellante is bij besluit van 6 mei 2013 ongegrond verklaard.

2.1.

Appellante is hiertegen in beroep gegaan. Hangende het beroep heeft het Uwv bij besluit van 11 oktober 2013 (bestreden besluit) het bezwaar van appellante wederom ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daarbij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van 6 december 2012 alsnog vastgesteld op 80 tot 100%.

2.2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 6 mei 2013 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

Appellante kan zich met deze uitspraak niet verenigen voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard. Zij heeft ook in hoger beroep betoogd dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en daarom in aanmerking zou moeten komen voor een Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA). Kort samengevat heeft zij daartoe het volgende aangevoerd. In de loop der tijd zijn appellantes klachten toegenomen en in 2010 waren deze zo erg geworden, dat zij zich heeft ziek gemeld. Appellante is al jaren arbeidsongeschikt door een neurologische aandoening ten gevolge van een virus en zij zal dat ook blijven. Appellante heeft forse mobiliteitsklachten. Volgens de behandelend artsen was de prognose in 2012 al niet gunstig en de huisarts verklaarde in 2013 dat de gezondheid van appellante de afgelopen drie jaar achteruit is gegaan. Hoewel de diagnose nog niet concreet in beeld was, waren de klachten ernstig en progressief. Als het dragen van steunkousen haar situatie zou verbeteren, zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep stelt, zou appellante allang weer op de been zijn. Ter onderbouwing van haar standpunt dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt moet worden geacht, heeft appellante een brief van

12 september 2014 van revalidatiearts drs. I. van Zee en een brief van 14 november 2014 van neuroloog V.J.J. Odekerken overgelegd.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

4.1.

Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Ingevolge het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.

4.2.

De Raad heeft in zijn uitspraak van 4 februari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896) overwogen dat blijkens de wetsgeschiedenis de verzekeringsarts zich een oordeel dient te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, waarbij hij een inschatting dient te maken van de herstelkansen, in die zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de betrokken verzekerde. Voorts heeft de Raad in deze uitspraak het niet onjuist geacht dat bij het maken van deze inschatting het beoordelingskader, genaamd “Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen”, wordt gehanteerd, nu dit beoordelingskader een uitwerking is van, en in grote lijnen overeenkomt met de procedure zoals die volgens de memorie van toelichting bij het ontwerp van de Wet WIA (TK 2004-2005, 30 034, nr. 3, blz. 29) gevolgd zal worden bij het vaststellen van de volledige duurzaamheid. Daarnaast is in deze uitspraak overwogen dat, in het geval betrokkene bezwaar heeft gemaakt, bij deze inschatting ook medische gegevens moeten worden betrokken die in bezwaar bekend zijn geworden, maar slechts voor zover die gegevens betrekking hebben op de datum met ingang waarvan de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid door het bestuursorgaan niet is aangenomen. In zijn uitspraak van

1 oktober 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BN9226) heeft de Raad in lijn met deze uitspraak benadrukt dat ook de bestuursrechter bij zijn beoordeling van de juistheid van het bestreden besluit informatie zal betrekken voor zover die betrekking heeft op de datum in geding.

4.3.

Appellante heeft sinds 2004 een zenuwaandoening (polyradiculopathie) die mogelijk is veroorzaakt door een virus en die heeft geleid tot krachtsverlies en spierzwakte in met name haar benen. Appellante is op 9 december 2010 uitgevallen voor haar werkzaamheden wegens pijnklachten aan met name haar rechterbeen. In december 2010 is bij appellante een progressief oedeem in haar benen vastgesteld bij waarschijnlijk niet goed werkende bloedaders. Daarnaast is bij appellante in 2011 een ontstekingsziekte (sarcoïdose) vastgesteld, waarbij appellante geen longklachten had en waarvoor zij niet is behandeld. Ten tijde van de datum in geding (6 december 2012) slikte appellante plaspillen wegens hoge bloeddruk en droeg zij ’s nachts steunkousen in verband met haar beenklachten, verder gebruikte zij krukken bij het lopen. De verzekeringsartsen hebben bij appellante beperkingen aangenomen op grond van eerdergenoemde zenuwaandoening. In haar rapporten van 2 mei 2013, 16 juli 2013 en 18 november 2013 vermeldt de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat er in 2004 neurologische klachten van de benen waren, maar dat geen gegevens bekend zijn van (recent) bestaande neurologische reststoornissen en dat ook het feit dat appellante de werkzaamheden tot eind 2010 verrichtte, doet vermoeden dat er geen ernstige neurologische uitvalsverschijnselen zijn geweest. Tot op heden is geen onderliggende ernstige aandoening gevonden voor de beenklachten en heeft geen verwijzing naar een neuroloog plaatsgevonden. Deze verzekeringsarts concludeert dat de aanwezigheid van een progressieve neurologische aandoening per einde wachttijd niet is te onderbouwen en dat daarom ook geen medische grondslag bestaat om aan te nemen dat er geen of slechts een geringe kans bestaat op een verbetering van het algemeen functioneren van appellante. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft er voorts op gewezen dat appellante de steunkousen overdag correct moet gebruiken en dat appellante de bewegingsadviezen in acht moet nemen teneinde de mobiliteit te verbeteren en de pijnklachten aan de benen te doen afnemen.

4.4.

Gelet op het hiervoor omschreven beloop van haar klachten heeft appellante te maken met langzaam toegenomen klachten en krachtsverlies van met name haar benen, waarbij geen duidelijke onderliggende aandoening kon worden vastgesteld, op grond waarvan geen herstel is te verwachten. Voor zover op de datum in geding al sprake was van een chronisch progressieve ziekte, was er echter van een ziektebeeld zonder behandelingsmethoden geen sprake. Uit de informatie van neuroloog Odekerken van 14 november 2014 blijkt dat een spierziekte samenhangend met de sarcoïdose nu de waarschijnlijke diagnose is, waarvoor prednison is voorgeschreven en wat heeft geleid tot (enige) verbetering van de spierkracht. Er is volgens de neuroloog sprake van een sluipend beloop van de klachten, die ergens in de periode 2011-2013 begonnen moeten zijn en die met name in 2013 of begin 2014 toegenomen lijken te zijn. Op grond daarvan moet worden vastgesteld dat ten tijde hier in geding niet duidelijk was dat in de aandoening van appellante - en daarom in de belastbaarheid - binnen een jaar geen verbetering zou optreden. Er zijn geen aanwijzingen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 8 december 2014 ten onrechte ervan is uitgegaan dat de progressiviteit in klachten en beperkingen (aantoonbaar) eerst na de datum in geding naar voren zijn gekomen, hetgeen in 2014 heeft geleid tot een opname van appellante in het revalidatiecentrum en in 2015 tot de toekenning van een IVA-uitkering.

4.5.

Op grond van overweging 4.4 moet worden geoordeeld dat de medische situatie van appellante op de datum in geding niet te brengen valt onder één van de situaties waarop artikel 4 van de Wet WIA ziet.

4.6.

Tot slot overweegt de Raad het volgende. Het Uwv heeft in het besluit van 25 januari 2013 vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante 35 tot 80% bedraagt, hetgeen betekent dat er een inkomenseis geldt. In het bestreden besluit is de mate van arbeidsongeschiktheid bepaald op 80 tot 100%, hetgeen gevolgen heeft voor de in artikel 60 van de Wet WIA bedoelde inkomenseis. Met verwijzing naar zijn uitspraak van 15 januari 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1) is de Raad van oordeel dat, wanneer in de bezwaarfase het arbeidsongeschiktheidspercentage wijzigt en er daarmee een wijziging in de resterende verdiencapaciteit ontstaat, dit een wijziging van de rechtspositie tot gevolg heeft. Dit betekent dat er sprake is van een herroepen besluit als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hieruit volgt dat het Uwv ten onrechte het bezwaar van appellante tegen het besluit van 25 januari 2013 ongegrond heeft verklaard en ten onrechte heeft geweigerd de kosten in bezwaar te vergoeden en dat de rechtbank ten onrechte het beroep ongegrond heeft verklaard.

5. Uit hetgeen is overwogen in 4.6 volgt dat de aangevallen uitspraak in zoverre dient te worden vernietigd.

6. Er bestaat daarom aanleiding om het Uwv te veroordelen in de (proces)kosten van appellante in bezwaar, beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 980,- in bezwaar, € 980,- in beroep en € 980,- in hoger beroep, totaal € 2.940,-. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten voor het inschakelen van een deskundige bedragen € 73,87. Voor een vergoeding van andere kosten bestaat, gelet op de bepalingen van het Besluit proceskosten bestuursrecht, geen aanleiding.

7. Bij deze uitkomst is voor toewijzing van de gevraagde schadevergoeding geen ruimte.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover in hoger beroep aangevochten;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 11 oktober 2013;

- herroept het besluit van 25 januari 2013, bepaalt dat aan appellante met ingang van

6 december 2012 een WGA-uitkering toekomt, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 11 oktober 2013;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

- bepaalt dat het Uwv het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 162,- vergoedt;

- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van

€ 3.013,87,-.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en H. van Leeuwen en

P.H. Banda als leden, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2015.

(getekend) D.J. van der Vos

(getekend) K. de Jong

AP