Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3241

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-09-2015
Datum publicatie
28-09-2015
Zaaknummer
14/3432 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA- uitkering toe te kennen. Minder dan 35% arbeidsongeschikt. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/3432 WIA

Datum uitspraak: 25 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

6 mei 2014, 13/3190 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2015. Namens appellante is mr. C.W. Langereis, advocaat, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 27 december 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 18 januari 2013 geen recht ontstaat op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 26 april 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar psychische beperkingen voor het verrichten van arbeid door de verzekeringsartsen van het Uwv zijn onderschat. Ter onderbouwing heeft zij twee rapporten van GZ-psycholoog N.M. Spaargaren van

10 november 2014 en 15 juli 2015 overgelegd. Voorts stelt appellante dat de rechtbank ten onrechte geen onafhankelijk medisch deskundige heeft benoemd. Zij verzoekt de Raad om dat alsnog te doen. Ten slotte betoogt appellante dat zij niet in staat is om de aan de schatting ten grondslag gelegde voorbeeldfuncties te vervullen.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

4.1.

Terecht heeft de rechtbank geen grond gevonden voor twijfel aan de juistheid van de bij appellante vastgestelde belastbaarheid, zoals deze is weergeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). In de verzekeringsgeneeskundige rapporten is inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd welke beperkingen appellante ondervindt voor het verrichten van arbeid en waarom geen aanleiding bestaat appellante psychisch meer of verdergaand beperkt te achten. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep lijdt appellante aan stemmingsklachten als gevolg van relatieproblemen en druk vanuit de thuissituatie. Gelet hierop moet appellante in arbeid mentaal worden ontzien. In de FML is volgens deze arts voldoende rekening gehouden met deze klachten. Appellante is aangewezen op een rustige werkomgeving en op werk zonder een grote tijdsdruk en zonder een veelvuldig hoog handelingstempo. Daarnaast is appellante beperkt in het omgaan met emoties en conflicten. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep kan bij appellante niet gesproken worden van een depressie in strikte zin. Tijdens zijn eigen onderzoek, noch tijdens het onderzoek van de verzekeringsarts zijn aanwijzingen gevonden voor een dergelijk ziektebeeld. In de voorhanden medische gegevens, waaronder de door appellante overgelegde stukken van de huisarts en de maatschappelijk werker, blijken volgens deze arts evenmin aanwijzingen hiervoor. Aan deze stukken kan niet worden ontleend dat appellante op of rond de datum in geding, 18 januari 2013, werd behandeld in verband met een depressie.

4.2.

Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd en overgelegd, geeft geen reden om het oordeel van de rechtbank over de bij appellante vastgestelde belastbaarheid voor onjuist te houden. De rapporten van GZ-psycholoog Spaargaren hebben geen betrekking op de datum in geding.

4.3.

Nu er geen grond is voor twijfel aan de juistheid van de voor appellante vastgestelde belastbaarheid, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien om een onafhankelijk medisch deskundige te benoemen. Nu er in hoger beroep evenmin reden is voor twijfel, ziet ook de Raad geen aanleiding om een deskundige te benoemen.

4.4.

Uitgaande van de juistheid van de voor appellante vastgestelde en in de FML weergegeven belastbaarheid, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat appellante in medisch opzicht in staat is de werkzaamheden te verrichten die zijn verbonden aan de aan de schatting ten grondslag gelegde functies. In de arbeidskundige rapporten is inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat appellante met inachtneming van haar beperkingen deze functies kan vervullen. De gesignaleerde overschrijdingen van de belastbaarheid van appellante zijn naar behoren gemotiveerd. Terecht is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante vastgesteld op minder dan 35%.

4.5.

Gezien hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.4 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 september 2015.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) H.J. Dekker

AP