Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3229

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-09-2015
Datum publicatie
28-09-2015
Zaaknummer
14/7188 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag. Plichtsverzuim. Agressief gedrag. Appellant heeft onnodig geweld gebruikt en niet gehandeld conform het protocol. Niet gebleken dat dit plichtsverzuim niet aan appellant is toe te rekenen. De disciplinaire maatregel van ontslag is niet onevenredig te achten aan de ernst van het plichtsverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2015/175
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/7188 AW

Datum uitspraak: 24 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 november 2014, 14/1841 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.E. de Hoop hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Hoop. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. G.J. van Egmond en mr. C.E. Wieringa.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is in 2008 aangesteld in de functie van [naam functie A]. Hij was laatstelijk werkzaam als [naam functie A] bij [naam werkgever], een gesloten jeugdinstelling waar jongeren verblijven tussen de twaalf en achttien jaar met ernstige gedrags- en/of psychiatrische problematiek in combinatie met lichte verstandelijke beperkingen.

1.2.

Bij besluit van 15 april 2009 is aan appellant een disciplinaire maatregel opgelegd, inhoudende dat hij met ingang van 27 april 2009 voor een periode van twee jaar werkzaam zal zijn als [naam functie B] in plaats van [naam functie A]. Daarbij is vermeld dat na twee jaar zal worden bezien of appellant weer ingedeeld kan worden als [naam functie A]. Daaraan is onder meer de voorwaarde verbonden dat hij serieus zal werken aan zijn opvliegende en agressieve gedrag. Aan deze disciplinaire maatregel is ten grondslag gelegd dat appellant zich tijdens het volgen van een verplichte opleiding heeft misdragen en tijdens het hierover gevoerde verantwoordingsgesprek ontoelaatbaar gedrag heeft vertoond. Bij besluit van 22 juni 2009 is de in het besluit van 15 april 2009 vermelde termijn van twee jaar verkort naar één jaar. Bij besluit van 2 december 2009 is de disciplinaire maatregel, zoals herzien bij het besluit van 22 juni 2009, ingetrokken en vervangen door een waarschuwing. Daarbij is vermeld dat indien appellant zich opnieuw schuldig zal maken aan plichtsverzuim, wel nadere maatregelen zullen worden getroffen.

1.3.

Bij brief van 21 november 2012 heeft de locatiedirecteur van [naam werkgever] appellant er op aangesproken dat hij zich jegens collega’s niet altijd diplomatiek opstelt en snel geneigd is tot een agressieve aanpak.

1.4.

Op 2 september 2013 heeft een incident plaatsgevonden waarbij appellant S, een in [naam werkgever] verblijvende jongere van vijftien jaar, tweemaal op haar bovenarm heeft geslagen. S heeft hierdoor een bloeduitstorting op haar bovenarm opgelopen. Naar aanleiding van dit incident zijn appellant en S gehoord. Verder zijn als getuigen gehoord R, een collega van appellant, en B, een op [naam werkgever] geplaatste jongere. Nadat de minister het voornemen daartoe had geuit en appellant zijn zienswijze naar voren had gebracht, heeft de minister bij besluit van 21 oktober 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 februari 2014 (bestreden besluit), aan appellant de disciplinaire maatregel van ontslag met onmiddellijke ingang opgelegd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. Volgens de minister heeft appellant in strijd gehandeld met het binnen [naam werkgever] geldende protocol van april 2011. Hierin is vermeld dat fysiek ingrijpen het laatste redmiddel is en dat een groepsleider alleen zal vastpakken en vasthouden als dit strikt noodzakelijk is. De wijze van vastpakken en vasthouden moet respectvol, proportioneel en rechtmatig zijn. Onder meer slaan en stompen is niet toegestaan. Volgens het protocol zou hier enkel uit noodweer sprake van kunnen zijn, met als doel het stoppen van een jongere in zijn aanval. De minister heeft geconstateerd dat in dit geval van een dergelijke situatie geen sprake was. Verder heeft appellant nagelaten om er zorg voor te dragen dat S na afloop van het incident direct medisch is verzorgd. De minister heeft bij de keuze voor het verlenen van onvoorwaardelijk ontslag mede van belang geacht dat appellant [naam functie A] was en de zorg had over kwetsbare jongeren, die vaak problemen hebben met hun eigen impulscontrole en in hun thuissituatie zijn geconfronteerd met huiselijk geweld en agressief gedrag. Daarnaast heeft de minister van betekenis geacht dat appellant al eerder is aangesproken op agressief gedrag, zodat hij een gewaarschuwd man was.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank is op basis van de over het incident afgelegde verklaringen van de volgende toedracht uitgegaan. Op 2 september 2013 is S op appellant afgekomen en heeft zij hem een tik op zijn kin gegeven. Hierop heeft appellant S van zich afgeduwd, waardoor zij in een stoel is terechtgekomen. Vervolgens heeft appellant S tweemaal op haar bovenarm geslagen, met een bloeduitstorting tot gevolg. De gemachtigde van appellant heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat de in de aangevallen uitspraak opgenomen weergave van het incident voor juist kan worden gehouden. Ook de Raad gaat uit van deze toedracht van het incident. Daarmee gaat de Raad voorbij aan de door appellant ter zitting gegeven andersluidende lezing van de feiten, die afwijkt van eerder door hem afgelegde verklaringen en die ook geen steun vindt in de getuigenverklaringen.

4.2.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. In ieder geval vanaf het moment dat appellant S van zich af had geduwd, waardoor zij in een stoel was terechtgekomen, was geen sprake meer van een bedreigende situatie. Daar komt bij dat appellant de hulp van collega R had kunnen inroepen, die zich tijdens het incident in de directe nabijheid van appellant bevond. Desondanks heeft appellant S vervolgens tweemaal op haar bovenarm geslagen, met een bloeduitstorting tot gevolg. Daarmee heeft appellant onnodig geweld gebruikt en niet gehandeld conform het protocol. De minister was dus bevoegd appellant disciplinair te straffen. Er is verder niet gebleken dat dit plichtsverzuim niet aan appellant is toe te rekenen.

4.3.

Met de rechtbank, en anders dan appellant heeft betoogd, is de Raad van oordeel dat de disciplinaire maatregel van ontslag niet onevenredig is te achten aan de ernst van het plichtsverzuim. Appellant was werkzaam als [naam functie A] en had de zorg over kwetsbare jongeren. Door zijn gedrag op 2 september 2013 heeft appellant het in hem te stellen vertrouwen ernstig beschaamd. De minister heeft verder mogen meewegen dat appellant eerder is aangesproken op opvliegend en agressief gedrag. Anders dan appellant heeft betoogd, brengt de omstandigheid dat het toen ging om gedragingen jegens een medecursist en collega’s, niet mee dat deze gedragingen niet relevant zijn voor dew onderhavige beoordeling. Het had appellant duidelijk kunnen zijn dat het opnieuw vertonen van agressief gedrag, zeker het toepassen van onnodig geweld jegens een aan zijn zorg toevertrouwde jongere, ontoelaatbaar was.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en M.T. Boerlage en

H.O. Kerkmeester als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 september 2015.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) M.S. Boomhouwer

HD