Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3210

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-08-2015
Datum publicatie
28-09-2015
Zaaknummer
13/5760 WIA-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Afwijzing verzoek alsnog een WIA-uitkering toe te kennen. In deze zaak kan niet worden volstaan met de beantwoording van de vraag of appellante (tijdig) nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb heeft vermeld. Het Uwv heeft verzuimd te beoordelen of appellante rechten ontleent aan artikel 55 van de Wet WIA. Dit moet alsnog gebeuren. De Raad draagt het Uwv op om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/5760 WIA-T

Datum uitspraak: 24 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

17 september 2013, 12/5283 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante is door mr. drs. V.N. van Waterschoot, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Op een vraagstelling van de Raad heeft het Uwv bij brief van 30 maart 2015 gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2015, waar appellante is verschenen met bijstand van mr. M. Mampel, kantoorgenoot van mr. Van Waterschoot. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J. Belder.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 9 december 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante geen recht op een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan omdat zij met ingang van 12 april 2010 minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij beslissing op bezwaar van 3 mei 2011 ongegrond verklaard. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van de rechtbank van

13 oktober 2011 niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel aangewend.

1.2.

Appellante heeft bij brief van 3 februari 2012 het Uwv verzocht om haar op basis van de informatie van dr. G.E. Linthorst, internist-endocrinoloog, van 9 november 2011 alsnog een WIA-uitkering toe te kennen. Hierop heeft het Uwv bij besluit van 14 maart 2012, onder verwijzing naar zijn besluit van 9 december 2010, afwijzend beslist. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 12 september 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Dit besluit is gebaseerd op een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van

27 augustus 2012.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar het toetsingskader in verband met artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geoordeeld dat niet gesproken kan worden van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die leiden tot de vaststelling van andere beperkingen op 12 april 2010. Daartoe is overwogen dat de buikklachten van appellante bij de eerdere beoordeling in 2010 zijn betrokken, terwijl destijds ook de mogelijke aanwezigheid van de ziekte van Fabry is beschreven.

3.1.

Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe is gesteld dat uit informatie van Linthorst blijkt dat zij de ziekte van Fabry heeft, welke diagnose als een nieuw feit is te beschouwen. Verder is gesteld dat uit het in bezwaar overgelegde medisch advies van 2 augustus 2012 van drs. M.M.F. Timmermans, verzekeringsarts, blijkt dat appellante als gevolg van de ziekte van Fabry verdergaande beperkingen heeft dan destijds door het Uwv zijn aangenomen. Ter onderbouwing hiervan heeft appellante verwezen naar de in beroep ingediende en door Timmermans opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Naar de mening van appellante dienen de invaliderende klachten te leiden tot het instellen van een nader medisch onderzoek, hetgeen het Uwv heeft nagelaten.

3.2.

Het Uwv heeft om bevestiging van de aangevallen uitspraak verzocht.

4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

4.1.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 14 januari 2015

(ECLI:NL:CRVB:2015:1), moet een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking worden beoordeeld. Met een aanvraag kan worden beoogd dat (met ingang van de datum waarop dat besluit zag) wordt teruggekomen van het eerdere besluit, ook kan worden bedoeld een beroep te doen op een regeling bij toegenomen arbeidsongeschiktheid of er kan mee worden verzocht om herziening voor de toekomst. Indien in een voorkomend geval niet (geheel) duidelijk is wat met een aanvraag wordt beoogd, ligt het op de weg van het Uwv daarover bij de aanvrager nadere informatie in te winnen. Het onderscheid in wat de aanvrager heeft beoogd, is van belang voor de beoordeling van de aanvraag door het Uwv en de toetsing van de beslissing op die aanvraag door de bestuursrechter.

4.2.

In de uitspraak van 14 januari 2015 is verder uiteengezet op welke wijze dergelijke aanvragen door de aanvrager moeten worden onderbouwd en door het Uwv moeten worden beoordeeld, en hoe de rechter beslissingen van het Uwv op dergelijke aanvragen toetst. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende.

4.3.

Appellante heeft in haar aanvraag, onder indiening van informatie van Linthorst, vermeld dat bij haar de ziekte van Fabry is vastgesteld. Om deze reden heeft zij het Uwv verzocht haar alsnog een WIA-uitkering toe te kennen. Uit de medische informatie blijkt dat Linthorst op grond van het zijns inziens invaliderende karakter van de buikklachten heeft besloten appellante te behandelen voor de ziekte van Fabry. Tijdens de hoorzitting heeft appellante verklaard dat de behandeling bestaat uit een enzymtherapie, die zij eens per twee weken krijgt, en dat haar klachten verergeren. Op de hoorzitting is tevens een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid met appellante besproken, maar dit heeft niet geleid tot nader onderzoek of tot besluitvorming in dat kader. De aanvraag van appellante moet daarom niet alleen worden aangemerkt als een herhaalde aanvraag, die ziet op de in het besluit van

9 december 2010 genoemde datum 12 april 2010, maar ook als een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid.

4.4.

Op een herhaalde aanvraag is volgens vaste rechtspraak artikel 4:6 van de Awb van toepassing. Dit betekent dat de aanvrager nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren moet brengen. Daarvan moet uiterlijk in de bezwaarfase het nodige bewijs worden geleverd. Dit betekent dat eerst in beroep overgelegde medische gegevens buiten beschouwing behoren te blijven. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.

4.5.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak terecht en op juiste gronden geoordeeld dat hetgeen appellante heeft vermeld bij haar aanvraag van 3 februari 2012 en naar voren heeft gebracht in de bezwaarfase, niet is aan te merken als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Daartoe wordt overwogen dat het enkele stellen van een (mogelijke) diagnose geen nieuw feit is als hiervoor bedoeld omdat niet zozeer de diagnose van belang is, maar de beperkingen die op 12 april 2010 voortvloeiden uit ziekte en gebrek. De rechtbank heeft terecht gewezen op de uitspraak van 12 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB: 2011:BT8680. Uit de stukken blijkt dat de buikklachten van appellante bij de eerdere verzekeringsgeneeskundige beoordeling in 2010 zijn betrokken en dat in verband daarmee beperkingen zijn aangenomen, terwijl ook met de mogelijke aanwezigheid van de ziekte van Fabry rekening is gehouden.

4.6.

In dit verband wordt voorts geoordeeld dat de in beroep overgelegde informatie, zijnde de brief van Linthorst van 11 januari 2013, het nadere advies van Timmermans van 6 februari 2013 en de opgestelde FML van 31 januari 2013 buiten beschouwing moet worden gelaten, aangezien deze informatie niet uiterlijk in de bezwaarfase naar voren is gebracht. Gewezen wordt op vaste rechtspraak (uitspraak van 30 maart 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AO8674). De in hoger beroep overgelegde brief van Timmermans van 3 december 2013 wordt om die reden eveneens buiten beschouwing gelaten.

4.7.

Gezien het onder 4.3 overwogene, kan in deze zaak echter niet worden volstaan met de beantwoording van de vraag of appellante (tijdig) nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb heeft vermeld. Het Uwv heeft verzuimd te beoordelen of appellante rechten ontleent aan artikel 55 van de Wet WIA. Dit moet alsnog gebeuren.

4.8.

Om te kunnen komen tot een definitieve beslechting van het geschil wordt aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:51d van de Awb het Uwv opdracht te geven het in rechtsoverweging 4.7 geformuleerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het hiervoor vermelde gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J. Riphagen en P.H. Banda als leden, in tegenwoordigheid van M. Crum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2015.

(getekend) D.J. van der Vos

(getekend) M. Crum

AP