Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3204

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-09-2015
Datum publicatie
24-09-2015
Zaaknummer
13/447 WWAJ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om vergoeding van een driejarige voltijd MBO-opleiding Zorg op niveau 3. In het rapport van de arbeidsdeskundige is onder verwijzing naar het Protocol Scholing 2012 toegelicht dat er voor werkzoekende klanten met een arbeidsongeschiktheidsuitkering geen begrenzing van de scholingstermijn bestaat op grond van een wettelijk voorschrift. Omdat de scholing arbeidsmarktrelevant moet zijn, hanteert het Uwv een maximale scholingsduur van één jaar. Overweging hierbij is dat de situatie op de arbeidsmarkt over meer dan een jaar niet of nauwelijks in te schatten is. Verder heeft de arbeidsdeskundige vastgesteld dat er voldoende vacatures zijn op niveau 2. Bovendien heeft hij opgemerkt dat scholing alleen aan de orde is als werkhervatting in het oude beroep niet (meer) mogelijk is. Opschaling van het opleidingsniveau van de klant mag nooit een doel op zich zijn. Appellants verzoek voldoet niet aan deze voorwaarden.

Wetsverwijzingen
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten 3:66
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2015/208
USZ 2015/325
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/447 WWAJ

Datum uitspraak: 18 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

12 december 2012, 12/7898 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.C. Blok, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2015. Namens appellant is verschenen mr. Blok, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.J.F. Bär.

OVERWEGINGEN

1. Appellant ontvangt in verband met fysieke en psychische beperkingen met ingang van

10 augustus 1997 een uitkering op grond van de jonggehandicaptenregeling, vanaf 2010 op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Op 19 januari 2012 heeft appellant op grond van artikel 3:66 van de Wet Wajong het Uwv verzocht om vergoeding van een driejarige voltijd MBO-opleiding Zorg op niveau 3. Appellant is werkzaam geweest als verzorgende op niveau 2 en wil een opleiding op niveau 3 volgen om zijn kansen op de arbeidsmarkt te vergroten. Bij besluit van 27 januari 2012 heeft het Uwv het verzoek om vergoeding van de scholingskosten afgewezen. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 28 juni 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant ingestelde beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant gesteld dat hij met de scholing beoogt de toegang tot de arbeidsmarkt te verbeteren. Het lukt hem niet om functies op niveau 2 te krijgen. Appellant is van mening dat het volgen van een opleiding op niveau 3 de kortste weg naar werk is.

3.2.

Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat de noodzaak van scholing niet vaststaat en dat de driejarige MBO-opleiding niet de kortste weg naar werk is. Scholing wordt alleen vergoed als werkhervatting in het oude beroep niet meer mogelijk is en er op basis van de al genoten opleiding geen vacatures zijn of naar verwachting niet binnen een jaar beschikbaar komen. Raadpleging van het internet leert dat er voldoende vacatures op het huidige niveau van appellant zijn.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 3:66 van de Wet Wajong heeft de verzekerde die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, recht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en, met inachtneming van de daarvoor geldende wettelijke bepalingen, op de naar het oordeel van het Uwv noodzakelijk geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Centraal staat dan ook de vraag of het bestreden besluit, met inachtneming van de aan het Uwv in artikel 3:66 van de Wajong gegeven beoordelingsvrijheid, de toetsing aan de door artikel 7:12 van de Awb voorgeschreven deugdelijke motivering kan doorstaan.

4.2.

In het bestreden besluit heeft het Uwv ter motivering van zijn beslissing de aanvraag van appellant af te wijzen onder meer verwezen naar het rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 25 juni 2012. In dit rapport heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onder verwijzing naar het Protocol Scholing 2012 toegelicht dat er voor werkzoekende klanten met een arbeidsongeschiktheidsuitkering geen begrenzing van de scholingstermijn bestaat op grond van een wettelijk voorschrift. Omdat de scholing arbeidsmarktrelevant moet zijn, hanteert het Uwv een maximale scholingsduur van één jaar. Overweging hierbij is dat de situatie op de arbeidsmarkt over meer dan een jaar niet of nauwelijks in te schatten is. Verder heeft de arbeidsdeskundige vastgesteld dat er voldoende vacatures zijn op niveau 2. Bovendien heeft hij opgemerkt dat scholing alleen aan de orde is als werkhervatting in het oude beroep niet (meer) mogelijk is. Opschaling van het opleidingsniveau van de klant mag nooit een doel op zich zijn. Appellants verzoek voldoet niet aan deze voorwaarden. Het Uwv heeft met bovengenoemd rapport een deugdelijke motivering voor het bestreden besluit gegeven.

4.3.

Gelet op hetgeen in 4.1 en 4.2 is overwogen slaagt het hoger beroep niet en moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en J.P.M. Zeijen en

G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 september 2015.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) W. de Braal

AP