Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3192

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-09-2015
Datum publicatie
24-09-2015
Zaaknummer
14/2327 WIA-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Weigering WIA-uitkering. Belastbaarheid niet juist vastgesteld. De verzekeringsarts heeft na ontvangst van de door appellant overgelegde medische informatie van de longarts en de huisarts niet kunnen volstaan met herhaling van haar standpunt. Het schrijven van de longarts inhoudende dat sprake is van ernstige en invaliderende pijnen ten gevolge van een pancoast tumor in samenhang bezien met de informatie van de huisarts waaruit blijkt dat appellant zich rond de datum in geding herhaaldelijk bij de huisarts heeft gemeld met verschillende pijnen in de thoraxholte links en de pijn ondanks pijnstilling en antidepressiva niet verdween, had aanleiding moeten zijn om in de FML meer beperkingen aan te nemen. De Raad draagt het Uwv op om de gebreken in het bestreden besluit te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2327 WIA-T

Datum uitspraak: 9 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
8 april 2014, 13/4168 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft S.A.E. Vancraeynest hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant zijn nadere stukken overgelegd, waarop het Uwv heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2015. Appellant is ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. J. Heek (kantoorgenoot van Vancraeynest). Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Z. Sayban.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was laatstelijk werkzaam als kok voor 38 uur per week. Zijn dienstverband is geëindigd op 2 maart 2009. Appellant heeft vervolgens een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen. Op 16 maart 2011 heeft hij zich vanuit de WW ziek gemeld met lichamelijke klachten. Appellant heeft op 28 november 2012 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd.

1.2.

Bij besluit van 23 januari 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 13 maart 2013 geen recht op een WIA-uitkering bestaat omdat hij op die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Het bezwaar dat appellant tegen dit besluit heeft gemaakt is bij besluit van 9 juli 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

1.3.

Het Uwv heeft appellant per 13 juni 2013 een WIA-uitkering toegekend in verband met de zware, ingrijpende en intensieve behandeling die hij vanwege longkanker ondergaat.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de beschikbare stukken geen aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de belastbaarheid van appellant per 13 maart 2013. De rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gevolgd in haar standpunt dat er geen redenen bestaan om een gewijzigde belastbaarheid aan te nemen nadat is vastgesteld dat appellant een longtumor heeft. Hiertoe is overwogen dat uit vaste rechtspraak van de Raad blijkt dat er slechts sprake is van arbeidsongeschiktheid als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten. Het stellen van een diagnose is immers op zichzelf niet doorslaggevend voor het vaststellen van de belastbaarheid.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant zich, evenals in bezwaar en beroep, op het standpunt gesteld dat het Uwv zijn beperkingen ten gevolge van de op 12 juni 2013 vastgestelde longkanker heeft onderschat. Appellant heeft rond de datum in geding de huisarts veelvuldig bezocht vanwege ernstige pijnklachten aan de linkerarm en -schouder, die achteraf bezien reële klachten waren ten gevolge van longkanker. Het Uwv heeft weliswaar erkend dat appellant per 13 juni 2013 als gevolg van longkanker in relevante mate arbeidsongeschikt is en recht heeft op een WIA-uitkering, echter stelt appellant zich op het standpunt dat de ten gevolge van de lonkanker bestaande klachten aan de linkerarm en -schouder en de energetische beperkingen ten gevolge van het slecht slapen door de pijn reeds op de datum in geding bestonden.

3.2.

Ter motivering van zijn standpunt heeft appellant in hoger beroep een verklaring van longarts Becker van 16 mei 2014 overgelegd. Hierin heeft de longarts aangegeven dat appellant sinds mei 2013 bij hem onder behandeling is. Appellant had toen al maandenlang pijn in zijn linkerschouder. Omdat er een tumor op de thoraxfoto is geconstateerd is appellant naar de longarts verwezen, die een tumor in de linkerlongtop heeft geconstateerd. Bij nader pathologisch onderzoek werd er longkanker vastgesteld met ingroei in de plexus brachialis. Het is volgens de longarts bekend dat patiënten met een pancoast tumor al maandenlang ernstige pijn in de schouder hebben voordat deze kanker wordt ontdekt. Hij kan zich daarom goed voorstellen dat appellant al maandenlang pijn had vanwege longkanker, voordat de diagnose werd gesteld. Appellant had volgens de longarts zeer veel zenuwpijn in zijn linkerschouder, waardoor hij zijn arm moeizaam kon bewegen en hij slecht kon slapen. Voor deze pijnklachten heeft appellant geregeld contact gezocht met zijn huisarts. De longarts acht het tenslotte aannemelijk dat appellant in de periode maart tot juni 2013 wegens zijn pijnklachten zeer beperkt was in zijn dagelijks leven, waarbij hij heeft opgemerkt dat pijn bij een dergelijke tumor zeer invaliderend is.

3.3.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar reactie van 26 mei 2014 geconcludeerd dat de informatie van de longarts geen aanleiding geeft voor een ander standpunt. De verzekeringsarts stelt dat weliswaar duidelijk is dat appellant al langere tijd klachten aan de linkerschouder en thorax had, maar niet is vast te stellen sinds wanneer deze kunnen worden toegeschreven aan pancoast tumor. Ook kan daarom niet achteraf worden gesteld dat de pijn op de datum in geding zodanig invaliderend was dat appellant hiermee niet kon werken.

3.4.

Appellant heeft in hoger beroep brieven van huisarts J.F. Bastiaans van 2 juli 2013 en

8 september 2014 overgelegd. De huisarts vermeldt dat hij appellant in de periode van

13 maart 2014 (lees: 2013) tot 13 juni 2014 (lees: 2013) diverse keren heeft gezien in verband met pijn in de thoraxholte links ter plaatse van het operatielitteken vanwege recidiverende pneumothorax. Ondanks pijnstilling en antidepressiva verdween de pijn niet. Hierop is in overleg met de longartsen nadere diagnostiek verricht en werd uiteindelijk op 12 juni 2013 de diagnose kwaadaardige longtumor in de linkerlongtop gesteld waarvoor chemotherapie gevolgd door operatieve verwijdering werd voorgesteld.

3.5.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 24 juli 2014 en 21 oktober 2014 nader gerapporteerd en onder meer aangegeven dat in haar rapport van 29 mei 2013 bij de hoorzitting staat vermeld dat appellant op 27 maart 2013 en 3 april 2013 voor het eerst Tramadol en Amitriptyline kreeg voorgeschreven. Uit de brief van de huisarts van 10 april 2013 blijkt dat het laatstgenoemd medicijn verbetering geeft. Het voornaamste bezwaar van appellant tegen de einde wachttijd WIA beslissing is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat er geen rekening is gehouden met de accumulatie van ziekten, waarbij pas op de vijfde plaats de pijn in borst en schouder wordt genoemd. Dit wijst er volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet op dat in maart 2013 de pijn in de thorax op de voorgrond stond. Daarbij is al in een eerder stadium gebleken dat er aanwijzingen waren voor malingering. Uit de door de gemachtigde geciteerde medische gegevens blijkt dat een pancoast tumor knagende pijn in schouder, elleboog of arm kan geven. Deze informatie geeft volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen inzicht in de ernst van de door appellant ervaren pijn in maart 2013. Het is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep duidelijk dat er pijnklachten waren, waarmee in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 29 mei 2013 rekening is gehouden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het hoger beroep spitst zich primair toe op de vraag of het Uwv de belastbaarheid van appellant op de datum in geding van 13 maart 2013 juist heeft vastgesteld.

4.2.

De Raad acht met de reacties van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 26 mei 2014, 24 juli 2014 en 21 oktober 2014 op de hiervoor beschreven door appellant overgelegde medische informatie van de longarts en de huisarts, onvoldoende gemotiveerd dat appellant ondanks deze medische informatie niet verder beperkt zou moeten worden geacht dan reeds is vastgesteld in de categorieën dynamische handelingen en werktijden in de FML van 29 mei 2013. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft na ontvangst van de door appellant overgelegde medische informatie van de longarts en de huisarts niet kunnen volstaan met herhaling van haar standpunt. Het schrijven van de longarts inhoudende dat sprake is van ernstige en invaliderende pijnen ten gevolge van een pancoast tumor in samenhang bezien met de informatie van de huisarts waaruit blijkt dat appellant zich rond de datum in geding herhaaldelijk bij de huisarts heeft gemeld met verschillende pijnen in de thoraxholte links en de pijn ondanks pijnstilling en antidepressiva niet verdween, had naar het oordeel van de Raad aanleiding moeten zijn om in de FML meer beperkingen aan te nemen. Hierbij dient het Uwv de brief van de longarts van 16 mei 2014 waarin staat dat appellant als gevolg van zenuwpijn in zijn linkerschouder zijn arm moeilijk kon bewegen en hij ook slecht kon slapen, als uitgangspunt te nemen.

5.1.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit niet berust op een juiste medische grondslag.

5.2.

Om te kunnen komen tot een definitieve beslechting van het geschil ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv opdracht te geven dit gebrek in het bestreden besluit te herstellen en op basis van de bijgestelde grondslag een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en E.W. Akkerman en

D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2015.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) G.J. van Gendt

HD