Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3184

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-08-2015
Datum publicatie
24-09-2015
Zaaknummer
13/6087 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad is van oordeel dat op juiste wijze rekening is gehouden met de door de deskundige vastgestelde opbouwperiode. De medische grondslag van bestreden besluit 2 is juist. Er bestaat geen aanleiding om te oordelen dat de geselecteerde functies in medisch opzicht niet passend zijn. Het recht op WIA-uitkering is terecht met ingang van 24 mei 2012 geëindigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/6087 WIA, 15/4074 WIA

Datum uitspraak: 24 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 10 oktober 2013, 12/786 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2015. Appellant is verschenen met bijstand van mr. Th. Martens, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.R. Bos.

Het onderzoek is vervolgens heropend, waarna de zaak is verwezen naar een meervoudige kamer.

Op 20 mei 2015 heeft het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Namens appellant is bericht dat het hoger beroep zich mede richt tegen het besluit van 20 mei 2015.

Het geding is op 13 juli 2015 ter zitting behandeld. Appellant is verschenen met bijstand van mr. Martens. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Langius.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 21 juli 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 16 augustus 2010 recht op een loongerelateerde uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) is ontstaan. Daarbij is de mate van zijn arbeidsongeschikt vastgesteld op 80 tot 100% vanwege opname in een verslavingskliniek. Bij besluit van 21 september 2010 is vastgesteld dat de loongerelateerde uitkering van appellant per 25 december 2010 geëindigd is en dat per die datum recht op een loonaanvullingsuitkering is ontstaan. De mate van appellants arbeidsongeschiktheid is daarbij ongewijzigd op 80 tot 100% vastgesteld.

1.2. Bij besluit van 22 november 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat het recht op uitkering van appellant op 23 januari 2012 eindigt, omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder is dan 35%. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 6 juli 2012 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft op grond van het rapport van

27 mei 2013 van de door haar als deskundige geraadpleegde psychiater/neuroloog

C.J.F. Kemperman als haar oordeel gegeven dat het bestreden besluit berust op een juiste inschatting van de voor appellant geldende beperkingen, ook op het punt van samenwerken. De noodzaak voor een beperking in het aantal te werken uren heeft de rechtbank, gelet op het advies van de deskundige Kemperman, niet aanvaard.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de door het Uwv aangenomen beperking ten aanzien van het onderdeel ‘samenwerken’ onvoldoende is. De voor appellant geselecteerde functies kennen alle een zekere mate van samenwerking die zijn belastbaarheid te boven gaat. Verder voert appellant aan dat hij zich in de laatste fase van zijn resocialisatie bevond, en dat ten gevolge van de beëindiging van zijn uitkering een terugval heeft plaats gevonden. Tot slot stelt appellant zich op het standpunt dat de door de rechtbank geraadpleegde deskundige heeft vastgesteld dat ook een kwantitatieve beperking in arbeidsduur aangenomen moet worden ter onderbouwing van de arbeidsconditie, welke conditionele achterstand volgens appellant gerelateerd is aan ziekte of gebrek. Ter ondersteuning van zijn standpunt wijst appellant op de Standaard verminderde arbeidsduur, waarin ook preventieve redenen als indicatie voor een urenbeperking worden genoemd.

3.2. De deskundige Kemperman heeft desgevraagd in hoger beroep een rapport van 5 februari 2015 overgelegd. In dit rapport heeft hij een nadere toelichting verstrekt op de door hem in zijn rapport van 27 mei 2013 wenselijk geachte kwantitatieve beperking in arbeidsduur.

3.3. Na een onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft het Uwv bij besluit van 20 mei 2015 (bestreden besluit 2) het bezwaar tegen het besluit van 22 november 2011 gedeeltelijk gegrond verklaard. Daarbij is vastgesteld dat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid per

23 januari 2012 ongewijzigd 80 tot 100% bedraagt en dat het recht op uitkering op 24 mei 2012 eindigt, omdat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid per 23 maart 2012 minder is dan 35%.

3.4. Bestreden besluit 2 wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede in de beoordeling betrokken.

3.5. Appellant heeft naar aanleiding van bestreden besluit 2 aangevoerd dat met het aannemen van een urenbeperking gedurende twee maanden de visie van de deskundige wordt miskend. De intrekking van de WIA-uitkering met terugwerkende kracht per 23 maart 2012 is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Appellant stelt zich op het standpunt dat een herbeoordeling van zijn mate van arbeidsongeschikt alleen naar de toekomst kan plaatsvinden, nadat hij daadwerkelijk met werken (met een geleidelijk opklimmend aantal arbeidsuren) is begonnen. Op die wijze kan de door de deskundige vermelde geleidelijke opbouw plaatsvinden.

4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

4.1. Aangezien het Uwv het standpunt als verwoord in bestreden besluit 1 heeft verlaten, dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. Bestreden besluit 1 wordt eveneens vernietigd, met veroordeling van het Uwv tot vergoeding van de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep.

4.2. Omdat appellant zich evenmin met de inhoud van bestreden besluit 2 kan verenigen, ziet de Raad zich gesteld voor de vraag of bestreden besluit 2 rechtens stand houdt.

4.3. In beroep heeft de deskundige Kemperman op verzoek van de rechtbank op 27 mei 2013 verslag uitgebracht. Kemperman heeft in dit rapport geconcludeerd dat men appellant op

23 januari 2012 licht beperkt kan zien voor conflicthantering, samenwerken, het hanteren van emotionele problemen van anderen, met patiënten werken en leiding geven. Voorts dient er rekening te worden gehouden met zijn verslavingsgevoeligheid. De deskundige kan instemmen met de beperkingen als weergegeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 5 juni 2012, waarin op het onderdeel ‘samenwerken’ een beperking is opgenomen die inhoudt dat met anderen gewerkt kan worden, maar met een eigen, van te voren afgebakende deeltaak. De deskundige vermeldt daarbij dat vanuit psychiatrisch oogpunt niet kan worden gesteld dat appellant in de regel niet in staat zou zijn om met anderen samen te werken.

4.4. Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen indien de door deze deskundige gegeven motivering hem overtuigend voorkomt (uitspraak van 13 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3467). Deze situatie doet zich hier voor. De deskundige Kemperman heeft alle beschikbare informatie in zijn beoordeling betrokken. Ook heeft hij informatie ingewonnen bij behandelaars van appellant, welke informatie hij eveneens in zijn oordeel heeft betrokken. Het uitgebrachte deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Appellant heeft ook in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt dat op het onderdeel ‘samenwerken’ een zwaardere beperking aangenomen zou moeten worden. Evenmin heeft appellant aannemelijk gemaakt dat door het door hem voortijdig afgebroken resocialisatietraject onvoldoende beperkingen in de FML zijn opgenomen.

4.5. Over de urenbeperking vermeldt deskundige Kemperman (in aanvulling op de door hem in zijn rapport van 5 februari 2015 wenselijk geachte kwantitatieve urenbeperking met verwijzing naar de Standaard verminderde arbeidsduur) dat een tijdelijke en planmatige beperking met een in de tijd afnemende urenbeperking bij appellant aan de orde is geweest. Het gaat daarbij niet om een fysieke of psychische conditionele achterstand, maar om een afnemende tijdelijke beperking in de arbeidsuren gerelateerd aan de herstelfase van een ziekteproces. De deskundige zou geneigd zijn iemand te laten starten met driemaal een halve dag in de week, vervolgens opbouwen naar driemaal een dag, dan tweemaal een halve dag toevoegen en vervolgens een volledige werkweek aanhouden. Met een dergelijke opbouw zou men dan in een maand of twee tot een volledige werkweek kunnen komen.

4.6. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar aanleiding van het onder 4.5 vermelde rapport met ingang van 23 januari 2012 een urenbeperking opgenomen in de FML van drie halve dagen per week. Deze urenbeperking geldt voor de duur van twee maanden, tot

23 maart 2012. Per 23 maart 2012 geldt weer de FML zonder urenbeperking, waarbij effectuering van de eindiging van de WIA-uitkering plaatsvindt met ingang van 24 mei 2012. De Raad is van oordeel dat hiermee op juiste wijze rekening is gehouden met de door Kemperman vastgestelde opbouwperiode. Het standpunt van het Uwv dat op 23 januari 2012 sprake is van een urenbeperking in eerdergenoemde zin tot 23 maart 2012 wordt niet onjuist geacht. Daarbij is van belang dat Kemperman in zijn rapport van 5 februari 2015 vermeldt dat een tijdelijke en planmatige beperking met een in de tijd afnemende urenbeperking bij appellant aan de orde is geweest, hetgeen hij nader heeft geconcretiseerd in een periode van twee maanden. De beroepsgrond van appellant dat een afschatting slechts kan plaatsvinden nadat hij daadwerkelijk met werken is begonnen, zodat op die wijze de door de deskundige vermelde geleidelijke opbouw in uren kan plaatsvinden, treft geen doel. Immers, daarmee wordt het theoretisch karakter van de arbeidsongeschiktheidsschatting miskend. Daarbij is het daadwerkelijk starten (in arbeid) met de desbetreffende urenbeperking geen vereiste. De omstandigheid dat appellant is aangewezen op een tijdelijke urenbeperking maakt dit niet anders. Van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel is daarom geen sprake.

4.7. Uitgaande van de juistheid van de op 23 maart 2012 geldende FML, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapporten van 8 juni 2012 en 11 mei 2015 inzichtelijk en overtuigend beargumenteerd dat appellant werkzaamheden kan verrichten verbonden aan de - al in bezwaar voor appellant geselecteerde - functies van magazijn, expeditiemedewerker (SBC-code 111220), wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur (SBC-code 267050) en medewerker tuinbouw (SBC-code 111010).

4.8. Daarbij heeft het Uwv op juiste wijze toepassing gegeven aan de in artikel 56, tweede lid, van de Wet WIA genoemde termijn van twee maanden “na de dag dat hij niet langer gedeeltelijk arbeidsongeschikt is” door vast te stellen dat het recht op uitkering van appellant, uitgaande van een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 35% op 23 maart 2012, met ingang van 24 mei 2012 eindigt. Van terugwerkende kracht als door appellant gesteld is geen sprake: de WIA-uitkering van appellant was bij besluit van 22 november 2011 beëindigd per 23 januari 2012 en deze uitkering is nadien ongewijzigd voortgezet, terwijl de effectuering van de (eerdere) beëindiging eerst heeft plaatsgevonden per 24 mei 2012.

4.9. De Raad komt dan ook tot de slotsom dat de medische grondslag van bestreden besluit 2 juist is, dat geen aanleiding bestaat om te oordelen dat de geselecteerde functies in medisch opzicht niet passend zijn en dat het recht op WIA-uitkering terecht met ingang van 24 mei 2012 is geëindigd. Het beroep tegen bestreden besluit 2 slaagt daarom niet.

5. Gelet op rechtsoverwegingen 4.1 tot en met 4.9 ziet de Raad aanleiding het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten in beroep en hoger beroep. Deze worden vastgesteld op 5 x € 490,- = € 2.450,- (in beroep 1 punt voor de indiening van het beroepschrift, 0,5 punt voor de reactie op het verslag van de deskundige, 1 punt voor het bijwonen voor de zitting; in hoger beroep 1 punt voor het beroepschrift, 0,5 punt voor het aanvullend beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting en 0,5 punt voor de nadere zitting).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 6 juli 2012 gegrond en vernietigt dat besluit;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 20 mei 2015 ongegrond;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 2.450,-;

- bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht

€ 160,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J. Riphagen en P.H. Banda als leden, in tegenwoordigheid van M. Crum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2015.

(getekend) D.J. van der Vos

(getekend) M. Crum

AP