Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:316

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-02-2015
Datum publicatie
11-02-2015
Zaaknummer
13-4956 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag langdurigheidstoeslag omdat niet kan worden vastgesteld dat appellante en haar echtgenoot gedurende de zestig maanden voorafgaand aan de aanvraag een inkomen hebben genoten dat niet hoger is dan de voor hen geldende bijstandsnorm omdat appellante geen bewijsstukken hiervan heeft overgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/4956 WWB

Datum uitspraak: 10 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

16 juli 2013, 13/963 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats](appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. El Idrissi, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Op 24 januari 2014 heeft mr. A.F.M. den Hollander zich als opvolgend gemachtigde van appellante gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Den Hollander. Het college, is met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante en haar echtgenoot ontvingen sinds 5 januari 2009 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Op 14 september 2012 heeft appellante een langdurigheidstoeslag met ingang 5 januari 2009 aangevraagd.

1.3.

Bij besluit van 27 september 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 31 januari 2013 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat niet kan worden vastgesteld dat appellante en haar echtgenoot gedurende de zestig maanden voorafgaand aan de aanvraag een inkomen hebben genoten dat niet hoger is dan de voor hen geldende bijstandsnorm omdat appellante geen bewijsstukken hiervan heeft overgelegd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij voert aan dat zij alle stukken waarover zij redelijkerwijs kan beschikken heeft overgelegd. Hieruit blijkt dat haar inkomen niet hoger was dan de voor haar geldende bijstandsnorm. In 2003 is zij met haar echtgenoot bij haar schoonvader gaan wonen. Met het pensioen van haar schoonvader hebben zij in de kosten van huishouding en andere noodzakelijke kosten voorzien. Haar echtgenoot ontvangt sinds 2008 een pensioen dat niet hoger was dan de toepasselijke bijstandsnorm. Het college beschikt over de pensioengegevens van haar echtgenoot. Daarnaast kan het college Suwinet raadplegen om haar inkomen te bepalen. Appellante stelt dat op haar geen plicht rust om gegevens te overleggen waarover zij onmogelijk kan beschikken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor het in dit geding van belang zijnde wettelijke kader verwijst naar de aangevallen uitspraak.

4.1.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 9 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW8780), is het aan appellante om aannemelijk te maken dat zij voldoet aan de vereisten om voor een langdurigheidstoeslag in aanmerking te komen, waaronder de hier aan de orde zijnde voorwaarde dat het inkomen van appellante en haar echtgenoot in de van toepassing zijnde referteperiode niet hoger is dan de voor haar geldende bijstandsnorm. Gelet hierop volstaat niet de enkele stelling van appellante dat het college Suwinet zou kunnen raadplegen om haar inkomen te bepalen, nog daargelaten de vraag of met raadpleging van Suwinet een volledig beeld van het inkomen van appellante en haar echtgenoot kan worden verkregen.

4.2.

Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar inkomen in de van toepassing zijnde referteperiode niet hoger was dan de voor haar geldende bijstandsnorm. Zij heeft wel gesteld dat het pensioeninkomen van haar echtgenoot niet hoger was dan de voor haar geldende bijstandsnorm, maar heeft geen gegevens overgelegd die haar stelling kunnen onderbouwen. Voor de - door het college betwiste - stelling van appellante dat het college beschikt over de pensioengegevens van haar echtgenoot, biedt het dossier geen aanknopingspunten. Appellante heeft geen andere gegevens overgelegd die erop wijzen dat zij een inkomen heeft genoten dat niet hoger was dan de toepasselijke bijstandsnorm. Ter zitting heeft zij verklaard dat zij en haar echtgenoot zakgeld van haar schoonvader ontvingen. Dit was eerst € 50,- per maand, daarna is dit verhoogd tot € 100,-. Appellante heeft echter geen objectieve en verifieerbare gegevens hierover overgelegd. Nu niet kan worden vastgesteld of het inkomen van appellante in de periode van belang niet hoger was dan de voor haar geldende bijstandsnorm, heeft het college de aanvraag van appellante om een langdurigheidstoeslag op goede gronden afgewezen.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2015.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) P.C. de Wit

HD