Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3154

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-08-2015
Datum publicatie
17-09-2015
Zaaknummer
14/880 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Middelen. Geldtransacties. Op geld waardeerbare activiteiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/880 WWB

Datum uitspraak: 25 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

30 december 2013, 13/486 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I. Rhodes, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2015. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A.A. Brouwer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 15 december 2001 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Op 5 maart 2012 heeft de inspecteur van politie werkzaam bij de Financial Intelligence Unit (FIU) Nederland van het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD), een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt over verdachte transacties door appellante. Dat onderzoek heeft uitgewezen dat appellante in de periode van mei 2002 tot en met april 2009, 22 financiële transacties heeft uitgevoerd, waarmee in totaal een bedrag van € 17.188,- was gemoeid. Na ontvangst van dit proces-verbaal heeft een sociaal rechercheur van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de sociaal rechercheur onder meer dossieronderzoek verricht en appellante op 5 april 2012 verhoord. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal uitkeringsfraude van 24 april 2012.

1.3.

De onderzoeksbevindingen waren voor het college aanleiding om bij besluit van

3 oktober 2012 de bijstand van appellante over de maanden mei 2002, juni 2006, juli 2006, januari 2007, februari 2007, april tot en met juni 2007, september 2007, november 2007 en april 2009 in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 11.849,21 bruto van appellante terug te vorderen.

1.4.

Bij besluit van 8 januari 2013 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 3 oktober 2012, bij gebrek aan gronden, niet-ontvankelijk verklaard.

1.5.

Bij besluit van 23 april 2013 (bestreden besluit 2) heeft het college het bestreden besluit 1 ingetrokken, een nieuwe beslissing op het bezwaar genomen en het bezwaar tegen het besluit van 3 oktober 2012 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat is gebleken dat appellante in bezwaar toch gronden heeft ingediend zodat het college op het bezwaar inhoudelijk heeft beslist. Appellante heeft geldtransacties uitgevoerd zoals vermeld in de onderliggende rapportage en van deze geldtransacties geen melding gemaakt bij het college als gevolg waarvan het recht op bijstand over die maanden niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard en het college veroordeeld in de proceskosten.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is enkel nog bestreden besluit 2 in geschil.

4.2.

Appellante heeft aangevoerd dat zij met een aantal transacties niet bekend is. Nog daargelaten dat appellante deze stelling niet verder heeft onderbouwd volgt uit het

proces-verbaal van het KLPD van 5 maart 2012 dat appellante in de periode van mei 2002 tot en met april 2009, 22 financiële transacties heeft uitgevoerd, waarmee in totaal een bedrag van € 17.188,- was gemoeid. In het proces-verbaal van 5 maart 2012 staat voorts vermeld dat bij de uitvoering van de transacties een tweetal Europese identiteitskaarten is getoond waaruit de naam en de identiteit van appellante volgt. Daarnaast werden bij de uitvoering van de transacties adressen geregistreerd waarop appellante woonachtig was. Geen aanleiding bestaat deze gegevens in twijfel te trekken zodat op afdoende wijze is komen vast te staan dat appellante de hiervoor bedoelde financiële transacties heeft uitgevoerd.

4.3.

Gelet op het aantal transacties en de veelal grote bedragen van de transacties is sprake van op geld waardeerbare arbeid. Het moet appellante redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat deze activiteiten van invloed konden zijn op haar recht op bijstand. Dat een deel van de betalingen bestemd was voor zieke vrienden en familie, laat onverlet dat appellante in de maanden waarin zij bijstand ontving en geldtransacties hebben plaatsgevonden, de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden.

4.4.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 21 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO8680) levert schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja, in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene feiten te stellen en zonodig te bewijzen dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand bestond. Appellante is daarin niet geslaagd. Omdat appellante van de transacties geen boekhouding of administratie heeft bijgehouden, kan niet worden vastgesteld of appellante over de maanden waarin die transacties hebben plaatsgevonden recht heeft op bijstand of aanvullende bijstand. Het college was dan ook op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd tot intrekking van de bijstand over de maanden waarin een transactie heeft plaatsgevonden.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2015.

(getekend) M. Hillen

(getekend) J.L. Meijer

HD