Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3133

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-09-2015
Datum publicatie
17-09-2015
Zaaknummer
12-2243 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant heeft de hoger beroepen ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar volledig aan zijn bezwaren tegemoet is gekomen. Proceskostenveroordeling. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2243 WIA, 13/5938 WIA

Datum uitspraak: 11 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in artikelen 8:73a en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet respectievelijk artikel 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht en in verband met de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Leeuwarden van 5 april 2012, 11/2423 (aangevallen uitspraak 1) en van de rechtbank

Noord-Nederland van 17 oktober 2013, 13/321 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. van Dijk, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen beide aangevallen uitspraken.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft besloten tot gevoegde behandeling van beide zaken en heeft verzekeringsarts F.M. Brouwer als deskundige benoemd voor onafhankelijk onderzoek en advies in beide zaken. Deze heeft gerapporteerd op 8 september 2014.

Beide partijen hebben hierop hun zienswijze ingediend.

Vervolgens heeft de Raad, op advies van Brouwer, als onafhankelijk deskundige benoemd prof. dr. R.J. van den Bosch, psychiater. Deze heeft gerapporteerd op 9 februari 2015.

Het Uwv heeft hierop op 24 maart 2015 een gewijzigd besluit op bezwaar genomen waarbij het bezwaar van appellant gegrond is verklaard en aan appellant is medegedeeld dat voor hem met ingang van 25 juli 2010 recht is ontstaan op een IVA-uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

Hierop heeft appellant beide hoger beroepen ingetrokken en gelijktijdig de Raad verzocht om het Uwv in beide hoger beroepen te veroordelen in de proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep. Tevens heeft appellant verzocht om schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in het hoger beroep met nummer 12/2243 WIA.

Naar aanleiding van het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens mogelijke overschrijding van de redelijke termijn heeft de Raad de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) als partij aangemerkt voor wat betreft het aandeel van de bestuursrechter hierin.

Het Uwv heeft te kennen gegeven geen gebruik te maken van de mogelijkheid van verweer tegen het verzoek om proceskostenvergoeding en schadevergoeding.

Partijen hebben toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Ten aanzien van het verzoek van appellant om proceskostenvergoeding overweegt de Raad het volgende.

1.2.

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld door de bestuursrechter.

1.3.

Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet (oud) was deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Per 1 januari 2013 is artikel 8:108 van de Awb in de plaats gekomen van het tot die datum geldende artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet. Op grond van het overgangsrecht is artikel 8:108 van de Awb eerst van toepassing op een hoger beroep tegen een op of na 1 januari 2013 bekendgemaakte rechtbankuitspraak (aangevallen uitspraak 2) en blijft artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet van toepassing op rechtbankuitspraken van eerdere datum (aangevallen uitspraak 1).

1.4.

Appellant heeft de hoger beroepen ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 24 maart 2015 volledig aan zijn bezwaren tegemoet is gekomen.

1.5.

De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep in beide zaken redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Uwv heeft bij het gewijzigde besluit op bezwaar van 24 maart 2015 de ten behoeve van het bezwaar gemaakte kosten in zaak 12/2443 WIA reeds vergoed en in zaak 13/5938 WIA waren de bezwaarkosten al vergoed door het Uwv bij het besluit op bezwaar van 12 december 2012. De nog te vergoeden kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.960,- voor verleende rechtsbijstand in beroep

(2 punten voor het indienen van de beroepschriften en 2 punten voor het bijwonen van de zittingen) en € 1.225,-voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep (2 punten voor het indienen van de hoger beroepschriften, 0,5 punt voor de reactie op het rapport van deskundige Brouwer), waarmee het totaalbedrag aan te vergoeden kosten wegens verleende rechtsbijstand komt op € 3.185,-. Daarbij komen nog de reiskosten van appellant van en naar de twee zittingen bij de rechtbank Leeuwarden, welke forfaitair worden begroot op € 13,60. Van overige kosten die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht in aanmerking komen is de Raad niet gebleken. De ten behoeve van de onderzoeken door de door de Raad benoemde deskundigen door appellant gemaakte reiskosten komen niet voor vergoeding op grond van artikel 8:75 van de Awb in aanmerking. Het totaalbedrag aan proceskosten komt hiermee op € 3.198,60.

1.6.

Voor vergoeding van het betaalde griffierecht in eerste aanleg en hoger beroep kan appellant zich rechtstreeks tot het Uwv wenden.

1.7.

Ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding in zaak 12/2243 WIA overweegt de Raad als volgt.

1.8.

Aangezien het schadeveroorzakende besluit dateert van vóór 1 juli 2013, is artikel 8:73a, eerste lid, eerste volzin (oud), van de Awb van toepassing, ingevolge welk artikel in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:73 van de Awb kan worden veroordeeld tot vergoeding van de schade die de verzoeker lijdt. Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

1.9.

Voor de wijze van beoordeling van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, wordt in de eerste plaats gewezen op de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.

1.10.

In zaak 12/2243 WIA zijn vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door het Uwv op

7 oktober 2010 tot de datum van deze uitspraak vier jaar en elf maanden verstreken. Er is geen aanleiding de redelijke termijn voor deze procedure op meer dan vier jaar te stellen. De redelijke termijn is dan ook met elf maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 1.000,-. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door het Uwv op 7 oktober 2010 tot de datum van het besluit op bezwaar van 27 april 2011 zijn zes maanden en drie weken verstreken. Dit betekent een (geringe) overschrijding van de redelijke termijn van zes maanden. Vanaf de ontvangst van het beroepschrift door de rechtbank op 7 juni 2011 tot de uitspraak van de rechtbank van 5 april 2012 zijn bijna tien maanden verstreken terwijl vanaf de ontvangst van het hoger beroep door de Raad op 18 april 2012 tot de onderhavige uitspraak drie jaar en bijna vijf maanden zijn verstreken. De behandeling in de rechterlijke fase heeft dus in totaal meer dan drie en een half jaar geduurd. Dat betekent dat de overschrijding van de redelijke termijn met bijna negen maanden voor rekening van de Staat komt. Gelet op het aandeel van minder dan één maand van het Uwv in de totale overschrijding van de redelijke termijn, ziet de Raad aanleiding te bepalen dat van de totale vergoeding van € 1.000,- een bedrag van € 250,- ten laste komt van het Uwv en een bedrag van € 750,- ten laste van de Staat.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 3.198,60;

- veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade wegens

overschrijding van de redelijke termijn van € 250,-;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot betaling aan appellant van een vergoeding van

schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van € 750,-.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 september 2015.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) M.D.F. de Moor

HD