Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3129

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-09-2015
Datum publicatie
17-09-2015
Zaaknummer
13-1661 ZVW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Buitenlandbijdrage Zvw. Internationale context. Appellant heeft op grond van Vo 1408/71 recht op zorg in Frankrijk ten laste van Nederland. Het heffen van een buitenlandbijdrage is geen ongelijke behandeling welke onverenigbaar is met enige bepaling van communautair en/of internationaal recht. Het feit dat betrokkene ten tijde van zijn verhuizing naar Frankrijk niet kon voorzien dat hij een buitenlandbijdrage verschuldigd zou worden, doet niet af aan de mogelijkheid voor een Lidstaat om een op Vo. 1408/71 gebaseerde bijdrage in te voeren. Het hanteren van een woonlandfactor levert geen overduidelijke onevenredigheid op. Cvz mocht de definitieve jaarafrekeningen over de jaren 2006, 2007 en 2008 vast stellen na het verstrijken van de termijn als genoemd in artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling zorgverzekering. Cvz heeft de buitenlandbijdragen berekend overeenkomstig de wettelijk voorgeschreven systematiek. Nu betrokkene de juistheid van deze berekeningen als zodanig niet heeft betwist, ziet de Raad geen reden aan te nemen dat aan hem een te hoog bedrag in rekening is gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 1661 ZVW, 13/1808 ZVW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
5 maart 2013, 12/1697 en 12/1698 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Betrokkene] te [woonplaats], Frankrijk (betrokkene)

Zorginstituut Nederland (Zorginstituut) als rechtsopvolger van het College voor zorgverzekeringen (Cvz)

Datum uitspraak: 9 september 2015

PROCESVERLOOP

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg en andere wetten in verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg (Stb. 2013, 578) oefent het Zorginstituut de bevoegdheden uit die voorheen door Cvz werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder het Zorginstituut mede verstaan Cvz.

Zowel betrokkene als het Zorginstituut hebben hoger beroep ingesteld.

Het Zorginstituut heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd plaatsgehad tezamen met de zaken 14/986 ZVW en 14/4443 ZVW op 25 maart 2015. In die zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan. Betrokkene is verschenen. Het Zorginstituut heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M. Mulder.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene, geboren in 1930, woont vanaf 1990 in Frankrijk. In 2006, 2007, 2008 en 2009 ontving hij pensioenen op grond van de Algemene Ouderdomswet en pensioenen van Nationale Nederlanden Levensverzekering Maatschappij N.V., de Stichting Kuwait Petroleum Pensioenfonds Nederland, de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Koopvaardij en de Stichting Pensioenfonds ABP.

1.2.

Cvz heeft betrokkene als verdragsgerechtigde aangemerkt. Als verdragsgerechtigde heeft betrokkene op grond van de Verordening EEG nr. 1408/71 (Vo. 1408/71) recht op zorg in zijn woonland (Frankrijk), ten laste van Nederland. Voor dit recht op zorg is hij op grond van artikel 69 van de Zorgverzekeringswet (Zvw) een bijdrage verschuldigd (de buitenlandbijdrage). Door het Caisse Primaire d’Assurance Maladie in Frankrijk, het bevoegde orgaan, is - op het E-121 formulier - op 23 februari 2006 bevestigd dat betrokkene met ingang van 1 januari 2006 in Frankrijk is ingeschreven voor medische zorg en dat de kosten voor die zorg ten laste van Nederland komen.

1.3.

Cvz heeft betrokkene definitieve jaarafrekeningen voor de jaren 2006 tot en met 2009 toegezonden. De daarin vastgestelde buitenlandbijdragen bestaan uit een nominaal deel, een inkomensafhankelijk deel berekend op grond van artikel 5.2 van de Zvw (inkomensafhankelijke Zvw-bijdrage) en een inkomensafhankelijk deel berekend op grond van overeenkomstig de Wet financiering sociale verzekeringen verschuldigde premie voor de Algemene wet bijzondere ziektekosten (inkomensafhankelijke AWBZ-bijdrage). De aldus bepaalde grondslag is vermenigvuldigd met de zogenaamde woonlandfactor.

1.4.

De Belastingdienst heeft het “Niet in Nederland belastbaar inkomen” (NiNbi) voor 2006 bij beschikking vastgesteld op € 1.298,-. De beschikking bevat voorts de volgende specificatie:

- wereldinkomen uit werk en woning € 25.343

- persoonsgebonden aftrekposten € 1.295 -

- totaal wereldinkomen € 24.048

- in Nederland belastbaar loon/verzamelinkomen in Nederland € 22.750 -

- vastgesteld Niet in Nederland belastbaar inkomen € 1.298

Voor de jaren 2007 tot en met de 2009 heeft de Belastingdienst het NiNbi vastgesteld op negatief € 926,-, negatief € 1.796,- respectievelijk negatief € 1.830,-; deze negatieve bedragen bestaan steeds uit persoonsgebonden aftrekposten.

1.5.

Bij beslissing op bezwaar van 20 februari 2012 (bestreden besluit I) is het bezwaar van betrokkene tegen de besluiten van 7 en 22 maart 2010 waarbij de definitieve jaarafrekeningen buitenlandbijdrage (voor verrekening van de inhoudingen) over 2006 en 2007 achtereenvolgens zijn vastgesteld op € 2.827,03 en € 3.078,38, ongegrond verklaard.

1.6.

Bij beslissing op bezwaar van 14 maart 2012 (bestreden besluit II) is het bezwaar van betrokkene tegen de besluiten van 25 september 2011 en 2 december 2011 waarbij de definitieve jaarafrekeningen buitenlandbijdrage (voor verrekening van de inhoudingen) over 2008 en 2009 achtereenvolgens zijn vastgesteld op € 3.232,86 en € 3.050,61, ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen besluit I gegrond verklaard en Cvz opgedragen om met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit op bezwaar over 2006 te nemen. Het beroep tegen besluit II heeft de rechtbank ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat Cvz betrokkene terecht heeft aangemerkt als verdragsgerechtigde en dat geen sprake is van een prevalerend recht. Dat de buitenlandbijdrage wordt vastgesteld overeenkomstig de berekeningssystematiek van de Zvw en de AWBZ, betekent niet dat sprake is van daadwerkelijke AWBZ-premie. Het beroep op schending van artikel 14 van het EVRM heeft de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 26 augustus 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ6362, verworpen. Onder verwijzing naar artikel 6.3.3 van de Regeling zorgverzekering (Regeling) heeft de rechtbank uiteengezet dat een verdragsgerechtigde bij de definitieve jaarafrekening geconfronteerd kan worden met een “naheffing”. Verder heeft zij overwogen dat de Regeling geen mogelijkheid biedt om de buitenlandbijdrage te verminderen of kwijt te schelden omdat die regeling van dwingend recht is. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat Cvz bij de vaststelling van de buitenlandbijdrage over 2006 ten onrechte is uitgegaan van het Nederlands jaarinkomen van € 25.352,- in plaats van het wereldinkomen van € 25.343,- zoals blijkt uit de
NiNbi-beschikking over 2006.

3.1.

Betrokkene heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en daarbij aangevoerd dat het heffen van een buitenlandbijdrage in strijd is met diverse bepalingen van het EVRM. De woonlandfactor is te hoog vastgesteld omdat in Frankrijk slechts een deel van de ziektekosten vergoed wordt en betrokkene gelet op zijn draagkracht niet in aanmerking komt voor zorg die in Nederland onder het regime van de AWBZ valt: het heffen van een inkomensafhankelijke AWBZ-bijdrage kan dan niet aan de orde zijn. Als hij eerder had geweten dat een buitenlandbijdrage zou worden geheven, had hij vanaf 1994 in loondienst kunnen treden bij het bedrijf van zijn echtgenote zodat hij niet onder de regeling van de buitenlandbijdrage zou zijn gevallen. Cvz is nalatig geweest door niet-tijdig aan Stichting Pensioenfonds ABP opdracht te geven tot inhoudingen over te gaan. Het is dan in strijd met de redelijke termijn pas in 2010 en 2011 alsnog een bijdrage over de jaren 2006 en 2007, respectievelijk 2008 en 2009 vast te stellen.

3.2.

Het hoger beroep van het Zorginstituut beperkt zich tot de uitspraak van de rechtbank voor het jaar 2006. Het Zorginstituut heeft verwezen naar de wettelijke bepalingen en aangevoerd dat bij de berekening van de buitenlandbijdrage de NiNbi-beschikking alleen gevolgd dient te worden voor zover dit het niet in Nederland belastbaar inkomen betreft. Bij de definitieve jaarafrekening over 2006 is het Zorginstituut met betrekking tot de
AWBZ-bijdrage terecht uitgegaan van het belastbaar loon van € 25.352,- dat de onder 1.1 genoemde instanties aan betrokkene hebben uitgekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De internationale context

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat betrokkene op grond van Vo. 1408/71 recht heeft op zorg in Frankrijk ten laste van Nederland. In de uitspraak van 1 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW7671 heeft de Raad onder verwijzing naar jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie geoordeeld dat Nederland als pensioenland verantwoordelijk is voor de betaling van kosten van zorg in het woonland Frankrijk. Daarom mag Nederland op grond van artikel 69 van de Zvw in verband met artikel 33 van

Vo. 1408/71 een bijdrage heffen van een betrokkene. Het heffen van een buitenlandbijdrage is geen ongelijke behandeling welke onverenigbaar is met enige bepaling van communautair en/of internationaal recht (zie rechtsoverweging 4.3 en 4.7 van deze uitspraak).

Het feit dat betrokkene ten tijde van zijn verhuizing naar Frankrijk niet kon voorzien dat hij een buitenlandbijdrage verschuldigd zou worden, doet niet af aan de mogelijkheid voor een Lidstaat om een op Vo. 1408/71 gebaseerde bijdrage in te voeren.

In rechtsoverweging 4.6 van de genoemde uitspraak van 1 juni 2012 heeft de Raad ook geoordeeld dat het hanteren van een woonlandfactor, vastgesteld op basis van de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon ten laste van de sociale verzekering in het woonland en de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon ten laste van de sociale zorgverzekering in Nederland, geen overduidelijke onevenredigheid oplevert.

Termijn

4.2.

Cvz heeft de definitieve jaarafrekeningen over de jaren 2006, 2007 en 2008 vastgesteld na het verstrijken van de termijn als genoemd in artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling. Aan de overschrijding van deze termijn is echter niet de consequentie verbonden dat het Zorginstituut niet meer bevoegd zou zijn een buitenlandbijdrage vast te stellen. Het rechtszekerheidsbeginsel is evenmin geschonden nu Cvz betrokkene op de hoogte heeft gesteld van zijn bijdrageplicht vanaf 2006, hem in dit verband heeft verzocht inkomensgegevens te verstrekken en op enkele uitkeringsbijdragen reeds een inhouding heeft plaatsgevonden (zie ook CRvB 28 november 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY4824).

De berekening van de buitenlandbijdrage

4.3.1.

Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Zvw melden in het buitenland wonende personen die met toepassing van een Verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen (…) in geval van behoefte aan zorg recht hebben op zorg of vergoeding van de kosten daarvan, zoals voorzien in de wetgeving over de verzekering voor zorg van hun woonland, zich, tenzij zij op grond van de Zvw verzekeringsplichtig zijn, bij het Zorginstituut aan. In het tweede lid van dat artikel is, voor zover van belang, bepaald dat de in het eerste lid bedoelde personen een bij ministeriële regeling te bepalen bijdrage zijn verschuldigd.

4.3.2.

De in artikel 69 van de Zvw bedoelde ministeriële regeling is de Regeling.

4.3.3.

In artikel 6.3.1, eerste lid, van de Regeling (tekst 2006 tot en met 2009) is bepaald dat de voor een persoon, bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de Zvw verschuldigde bijdrage (de buitenlandbijdrage), wordt berekend door de grondslag van de bijdrage te vermenigvuldigen met het getal dat wordt berekend uit de verhouding tussen de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon ten laste van de sociale zorgverzekering in het woonland van deze persoon, en de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon ten laste van de sociale zorgverzekeringen in Nederland (woonlandfactor).

4.3.4.

Artikel 6.3.1, tweede lid, van de Regeling houdt - voor zover van belang - in dat de grondslag van de buitenlandbijdrage gelijk is aan de som van:

a. een inkomensafhankelijke bijdrage, berekend overeenkomstig paragraaf 5.2 van de Zvw,

b. een inkomensafhankelijke bijdrage, berekend overeenkomstig de op grond van de Wet financiering sociale verzekeringen verschuldigde premie voor de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (…), en

c. (…) een bijdrage per maand overeenkomende met een twaalfde van het bedrag van de standaardpremie voor een zorgverzekering, zoals deze ingevolge artikel 4 van de Wet op de zorgtoeslag voor het desbetreffende jaar wordt vastgesteld.

4.3.5.

Van paragraaf 5.2 van de Zvw maken de volgende artikelen deel uit.

Artikel 42 van de Zvw bepaalt dat de inkomensafhankelijke bijdrage over een jaar wordt geheven over het bijdrage-inkomen van dat jaar.

Artikel 43, eerste lid, van de Zvw bepaalt - voor zover van belang - dat het bijdrage-inkomen van een jaar is het gezamenlijke bedrag van hetgeen door de verzekeringsplichtige in dat jaar is genoten aan:

a. belastbaar loon (…)

d. belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen (…).

4.3.6.

Artikel 6.3.1, achtste lid (tekst 2006) van de Regeling houdt in dat de inkomensgegevens, benodigd voor de berekening van de in het tweede lid bedoelde grondslag, worden ontleend aan het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8, eerste tot en met derde lid van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir).

4.3.7.

Artikel 6.3.1, negende lid (tekst 2006), van de Regeling houdt in dat indien het in artikel 8, derde lid, van de Awir bedoelde, niet in Nederland belastbaar inkomen niet is vastgesteld op grond van artikel 8 van de Awir, het door de rijksbelastingdienst wordt vastgesteld met overeenkomstige toepassing van dat artikel.

4.3.8.

Artikel 8 van de Awir (tekst 2006) bepaalt:

“1. Toetsingsinkomen is:

a. indien over het berekeningsjaar een aanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het verzamelinkomen, zoals dat in die aanslag is opgenomen of zoals dat bij beschikking is of wordt vastgesteld;

b. indien over het berekeningsjaar geen aanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het belastbare loon, zoals dat blijkt uit de op het berekeningsjaar betrekking hebbende jaaropgaven, vermeerderd met het belastbare loon van het berekeningsjaar waarover loonbelasting is nageheven van de werknemer. (…)

3. Niet in Nederland belastbaar inkomen, zoals dat bij beschikking is vastgesteld, wordt in aanvulling op het eerste en tweede lid mede als toetsingsinkomen in aanmerking genomen.”

4.4.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen is in de Zvw en de Regeling dwingend voorgeschreven op welke wijze de buitenlandbijdrage berekend moet worden
(CRvB 27 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2579). Noch de Zvw noch de Regeling biedt ruimte om af te wijken van de geregelde berekeningssystematiek.

De grondslag voor de buitenlandbijdrage bestaat gelet op artikel 6.3.1, tweede lid, van de Regeling - zoals vermeld in 4.3.4 - uit drie afzonderlijke delen:

a. een inkomensafhankelijke bijdrage, berekend overeenkomstig paragraaf 5.2 van de Zvw (Zvw-deel),

b. een inkomensafhankelijke bijdrage, berekend overeenkomstig de op grond van de Wet financiering sociale verzekeringen verschuldigde premie voor de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ-deel) en

c. een bijdrage berekend op basis van de standaardpremie voor een zorgverzekering als bedoeld in de Zvw (nominaal deel).

4.5.

Het Zvw-deel wordt, als onderdeel van de buitenlandbijdrage, op grond van artikel 6.3.1, tweede lid, onder a, en het achtste lid, van de Regeling, in overeenstemming met de artikelen 42 en 43 van de Zvw en artikel 8, eerste tot en met derde lid, van de Awir, vastgesteld aan de hand van - in dit geval - het belastbare loon en de belastbare periodieke uitkeringen van de verdragsgerechtigde. De NiNbi-beschikking voor het jaar 2006 heeft geen betrekking op deze inkomensbestanddelen en heeft dan ook geen gevolg voor de berekening van de bijdragegrondslag.

4.6.

Het Zorginstituut heeft in het hogerberoepschrift een specificatie gegeven van het bedrag van de door betrokkene in 2006 genoten uitkeringen, uitkomende op een belastbaar loon van € 25.352,- en gebaseerd op een opgave van de Belastingdienst. Betrokkene heeft de juistheid van deze opgave niet betwist. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank ten onrechte beslist dat Cvz ter berekening van het Zvw-deel van de jaarafrekening 2006 had moeten uitgaan van het op de NiNbi-beschikking voor 2006 genoemde wereldinkomen van € 25.343,-. Dat oordeel vindt geen steun in paragraaf 5.2 van de Zorgverzekeringswet of een andere wettelijke bepaling.

4.7.

De grondslag van de inkomensafhankelijke AWBZ-bijdrage is gelijk aan de verschuldigde premie voor de volksverzekeringen berekend over het premie-inkomen verminderd met de voor de premieplichtige toepasselijke heffingskorting. Op grond van artikel 8 van de Wet financiering sociale verzekeringen wordt onder premie-inkomen verstaan het belastbare inkomen uit werk en woning, bepaald volgens de regels van hoofdstuk 3 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Artikel 3.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001, onderdeel van hoofdstuk 3, bepaalt dat de persoonsgebonden aftrek de hoogte van het belastbaar inkomen vermindert. In zoverre kan de vaststelling van een bedrag aan persoonsgebonden aftrek op de NiNbi-beschikking - anders dan bij de vaststelling van de Zvw-bijdrage - van belang zijn voor de bepaling van de inkomensafhankelijke AWBZ-bijdrage.

Cvz heeft de inkomensafhankelijke AWBZ-bijdragen 2006 tot en met 2009 berekend met inachtneming van deze persoonsgebonden aftrek.

4.8.

Cvz heeft de buitenlandbijdragen berekend overeenkomstig de hiervoor beschreven en wettelijk voorgeschreven systematiek. Nu betrokkene de juistheid van deze berekeningen als zodanig niet heeft betwist, ziet de Raad geen reden aan te nemen dat aan hem een te hoog bedrag in rekening is gebracht.

4.9.

Uit 4.6 volgt dat het hoger beroep van het Zorginstituut slaagt en dat de aangevallen uitspraak in zoverre moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit I ongegrond verklaren.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak 12/1697;

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I ongegrond;

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak 12/1698.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en J. Brand en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2015.

(getekend) R.M. van Male

(getekend) H.J. Dekker

AP