Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3120

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-09-2015
Datum publicatie
17-09-2015
Zaaknummer
14-4072 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting door niet (tijdig) uit eigen beweging melding te maken bij het college van alle op haar naam en op die van haar dochter staande bankrekeningen en de stortingen en overschrijvingen daarop. Geen dringende redenen om af te zien van terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4072 WWB

Datum uitspraak: 15 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 juni 2014, 13/10083 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Delft (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.C.M. van Schijndel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2015. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.P. Valten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 3 december 2008 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2.

Naar aanleiding van een onderzoek naar verhaal van bijstand op de onderhoudsplichtige voor de dochter van appellante heeft het college een nader onderzoek ingesteld naar de vermogens- en inkomenssituatie van appellante. In dat kader heeft het college dossier- en administratief onderzoek verricht en appellante verzocht om bankafschriften over te leggen over diverse periodes van alle bankrekeningen die op haar naam en op die van haar minderjarige dochter staan. Het college heeft appellante bij brief van 19 september 2012 geïnformeerd dat onduidelijkheid bestaat over haar vermogens- en inkomenspositie. Daarbij heeft het college appellante verzocht om nadere gegevens te overleggen, waaronder bankafschriften en overtuigende en deugdelijke informatie over de herkomst van een aantal contante stortingen op de bankrekeningen. Appellante heeft op 22 oktober 2012 een aantal gegevens overgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 5 december 2012.

1.3.

Bij besluit van 12 december 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 30 oktober 2013 (bestreden besluit ), heeft het college de bijstand van appellante herzien over de periodes van 1 juli 2009 tot en met 30 november 2009, 1 januari 2010 tot en met 31 juli 2010,

1 september 2010 tot en met 31 december 2011, 1 maart 2012 tot en met 31 maart 2012 en

1 mei 2012 tot en met 31 juli 2012 (periodes 1). Daarnaast heeft het college de bijstand ingetrokken over de periodes van 1 januari 2012 tot en met 28 februari 2012 en van 1 april 2012 tot en met 30 april 2012 (periodes 2). Het college heeft voorts de over de periodes 1 en

2 ten onrechte gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van respectievelijk € 2.180,28 en € 4.470,55 van appellante teruggevorderd. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante niet (tijdig) uit eigen beweging melding heeft gemaakt bij het college van alle op haar naam en op naam van haar dochter staande bankrekeningen en van de overschrijvingen en stortingen daarop. Appellante heeft ook geen deugdelijke en verifieerbare informatie verstrekt over de herkomst van drie stortingen op haar bankrekening van zes stortingen op de bankrekening van haar dochter. Hierdoor bestaat er onduidelijkheid over de vermogens- en inkomenspositie van appellante, zodat het recht op bijstand niet is vast te stellen over de maanden waarin die stortingen hebben plaatsgevonden. De overschrijvingen op de bankrekeningen van appellante en haar dochter onder de vermelding van ‘maandelijkse ondersteuning’ zijn als middelen verrekend met de bijstand over de maanden waarin die overschrijvingen en stortingen hebben plaatsgevonden. De overschrijvingen onder de vermelding van ‘geschenk’ en ‘cadeautje’ zijn aangemerkt als gift, die gezien de bestemming en de hoogte uit oogpunt van bijstandverlening verantwoord zijn.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil is dat appellante niet (tijdig) uit eigen beweging melding heeft gemaakt bij het college van alle op haar naam en op die van haar dochter staande bankrekeningen en de stortingen en overschrijvingen daarop. Appellante heeft hierdoor de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. De stelling van appellante dat zij dat niet bewust heeft gedaan, leidt niet tot een ander oordeel. Volgens vaste rechtspraak kan van een schending van de inlichtingenverplichting sprake zijn ook indien de betrokkene niet kan worden aangerekend dat hij de gegevens waarop de inlichtingenverplichting ziet niet bij het college heeft gemeld. Het gaat hier om gegevens waarvan het appellante redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Voor zover daarover bij appellante onduidelijkheid bestond, had het op haar weg gelegen om hierover nadere informatie in te winnen bij het college.

4.2.

Als gevolg van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting is aan appellante teveel bijstand verstrekt. Gelet hierop was het college bevoegd de bijstand van appellante over periodes 1 te herzien en over de periodes 2 in te trekken. Er is geen grond voor het oordeel dat het college in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van deze bevoegdheid. Dit betekent dat het ook college bevoegd was de over die periodes ten onrechte gemaakte kosten van bijstand terug te vorderen. De door appellante gestelde financiële problemen kunnen niet worden aangemerkt als dringende redenen op grond waarvan het college overeenkomstig het gevoerde beleid van terugvordering afziet.

4.3.

Uit 4.2 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 september 2015.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) E. Heemsbergen

HD