Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:3067

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-08-2015
Datum publicatie
10-09-2015
Zaaknummer
10-6461 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Door het Uwv is, hangende de hoger beroepsprocedure, een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, gedateerd 4 november 2014, waarin het recht op WIA-uitkering niet eerder wordt ingetrokken dan op 16 december 2011. Appellante heeft te kennen gegeven geen belang te hebben bij een uitspraak van de Raad over dat besluit, besluit zal niet worden meegenomen bij beoordeling in hoger beroep. Het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente, verwijzing vaste rechtspraak. Vergoeding pkv en gr. recht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6461 WIA

Datum uitspraak: 28 augustus 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 19 oktober 2010, 09/713 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Aan het geding heeft tevens als partij deelgenomen [naam B.V.] , gevestigd te [vestigingsplaats]

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr.drs. H. Aydemir, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2012. Appellante is - met bericht van verhindering - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.

De Raad heeft het onderzoek heropend en een vraagstelling aan het Uwv gezonden.

Het Uwv heeft een reactie ingezonden.

Op 4 november 2014 heeft het Uwv een gewijzigd besluit ingezonden.

Appellante heeft hierop haar zienswijze gegeven.

De zaak is verwezen naar de enkelvoudige kamer. Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Aan appellante is bij besluit van 11 februari 2009 met ingang van 16 maart 2009 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend.

2. Bij besluit van 8 september 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door de (ex)werkgever ingediende bezwaar gegrond verklaard en de WIA-uitkering van appellante met ingang van 22 september 2009 ingetrokken.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante ingestelde beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4. Hangende de hoger beroepsprocedure heeft het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, gedateerd 4 november 2014. Bij dit besluit heeft het Uwv het bestreden besluit gewijzigd en onder meer vastgesteld dat in de situatie dat een werkgever als belanghebbende bezwaar aantekent tegen een toekenning van een WIA-uitkering en in bezwaar of beroep blijkt dat de mate van arbeidsongeschiktheid van de werknemer minder dat 35% bedraagt, de intrekking van die uitkering niet eerder kan ingaan dan zes weken na de dag waarop het besluit bekend is gemaakt, maar ook niet eerder dan de dag dat de loongerelateerde

WGA-uitkering eindigt. Dit betekent in dit geval dat het recht op WIA-uitkering niet eerder wordt ingetrokken dan op 16 december 2011, de einddatum van de loongerelateerde

WGA-uitkering. Het besluit van 11 februari 2009 is herroepen.

5. Appellante heeft te kennen gegeven geen belang te hebben bij een uitspraak van de Raad over het besluit van 4 november 2014, aangezien het Uwv - zij het op procedurele gronden - de datum van intrekking van de loongerelateerde WGA-uitkering heeft gewijzigd. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zal de Raad dit besluit dan ook niet bij de beoordeling van het hoger beroep meenemen.

6. Uit overweging 2 tot en met 5 vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, met gegrondverklaring van het beroep tegen het bestreden besluit en vernietiging van dat besluit.

7. De vordering van appellante om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van wettelijke rente over het bedrag dat als gevolg van de herroeping van het besluit 11 februari 2009 door het Uwv zal worden nabetaald, zal worden toegewezen. De wettelijke rente moet worden berekend overeenkomstig de uitspraak van de Raad van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012: BV1958.

8. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 980,- wegens verleende rechtsbijstand in beroep (indiening beroepschrift en bijwonen zitting) en op € 490,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep (indiening beroepschrift). Tevens komen de kosten van de door appellante ingeschakelde adviseur van Medisch adviesbureau Wolthuis voor vergoeding in aanmerking. Het Uwv dient een bedrag van in totaal € 1.285,20 (€ 154,70 + € 773,50 + € 357,-) aan appellante betaalbaar te stellen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 8 september 2009;

- veroordeelt het Uwv tot vergoeding aan appellante van de wettelijke rente zoals onder 7 van

deze uitspraak is vermeld;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.470,-;

- veroordeelt het Uwv tot vergoeding aan appellante van de kosten van de medisch adviseur

van € 1.285,20;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 152,-. vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2015.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) M.D.F de Moor

UM